Joodse goederen in België
tijdens en na WOII
(voorlopige onderzoeksgids)

Fanny Coeckelbergh
Brussel, 20 mei 1999

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
INHOUDSTAFEL

 
Inleiding

Zoeken op onderwerp of object
 1. Bedrijven
 2. Culturele goederen
 3. Diamant
 4. Geld
 5. Huisraad
 6. Kunstvoorwerpen
 7. Onroerende goederen
 8. Salarissen
 9. Schuldvorderingen
 10. Sieraden, edele metalen en diamanten
 11. Waardepapieren

Lijst van afkortingen
 
 
 
 
 
 
 
 
Inleiding
 

De "Studiecommisie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-45" werd opgericht bij Koninklijk Besluit van 6 juli 1997. De opdracht van de Studiecommissie bestaat erin bij de regering te rapporteren met betrekking tot het lot van de achtergelaten en geplunderde joodse goederen.
De voorlopige onderzoeksgids die hier wordt voorgesteld vormt de resultante van de arbeid van de diverse onderzoekers die op dit terrein actief zijn geweest. Daarnaast is deze gids eveneens schatplichtig aan de archiefprospectie van Eric Laureys, die verbonden is aan het SOMA (Studie - en Documentatiecentrum oorlog en Hedendaagse Maatschappij) waar hij werkt op het onderzoeksproject Joodse Goederen. Zijn archiefinventaris werd als bijlage aan het Tussentijds Verslag van de Studiecommissie toegevoegd en diende mede als basis voor deze gids.

Deze onderzoeksgids is in eerste instantie als werkinstrument voor de onderzoeksploeg van de Studiecommissie bedoeld. Het is evenwel vanzelfsprekend dat al wie geïnteresseerd is om meer diepgaand bepaalde aspecten van de roof van de joodse goederen te bestuderen, of, breder nog, belangstelling heeft voor de economische en financiële wereld in België tijdens de jaren dertig en veertig, hier een handige bronnengids zal aantreffen.

Aangezien de onderzoekswerkzaamheden van de Studiecommissie nog verre van voltooid zijn, is deze onderzoeksgids ongetwijfeld onvolledig; vandaar dat hij de titel Voorlopige onderzoeksgids meekreeg. Het model ervoor vonden wij bij de Nederlandse collega’s van Bockxmeer, Lamboo en van Schie die bij het Algemeen Rijksarchief een Onderzoeksgids. Archieven Joodse oorlogsgetroffenen (Den Haag, 1998) publiceerden. Hun benadering om de opzoekingen niet enkel via de archiefvormers maar tevens en vooral via onderwerp mogelijk te maken, heeft ons bij het maken van deze Voorlopige onderzoeksgids geïnspireerd.
De onderwerpen of objecten die in deze voorlopige onderzoekgids aan bod komen houden verband met de roof van joodse bezittingen en vermogens. Per onderwerp of object wordt een historisch overzicht gegeven van de roof en van de eventuele recuperatie. Verder worden, eveneens per onderwerp of object, de archieven (met huidige bewaarplaats) opgesomd die m.b.t. het onderwerp belangrijk materiaal bevatten.

R. Van Doorslaer
Directeur
 
 
 
 
Zoeken op onderwerp of object
 
 
1. Bedrijven

De diensten van het Militair Bestuur hadden vooraf een grondige studie uitgevoerd over de invloed van joodse ondernemingen in de Belgische economie. Het resultaat beantwoordde niet aan hun verwachtingen en er werd als gevolg daarvan beslist om het overgrote deel van de bedrijven te liquideren. De Verordening van 28 oktober 1940 bepaalde dat ondernemingen onder “joodse invloed” moesten worden aangegeven. Dit gebeurde bij de Dienst voor Aangifte Joodse Goederen. Op 31 mei volgde een aanvullende Verordening waarin de ontjoodsing, liquidatie of inbeslagname van joodse ondernemingen werd opgelegd. Een totaal van 7.700 ondernemingen deed een aangifte. Banken werden verplicht het “joods karakter” van ondernemingen en de bezittingen van deze ondernemingen kenbaar te maken. Joden die België voor de bezetting waren ontvlucht verloren alle rechten op hun onderneming.
In de eerste fase van de ontjoodsing werd getracht om joodse bedrijven of bedrijven die onder joodse invloed stonden tot “zelf-arianisering” te bewegen. Daarna volgde een gedwongen arianisering. Op 15 juli 1941 moesten ondernemingen hun “joods karakter” kenbaar maken. Na oktober 1942 waren joodse ondernemingen onderworpen aan de directe controle van een door het Militair Bestuur aangewezen Verwalter of werd het beheer toevertrouwd aan de Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG).
Vooral de textiel-, bont- en ledersector werden door deze maatregelen getroffen. Indien een bedrijf in aanmerking kwam voor liquidatie werd de koopwaar in beslag genomen en verkocht. De opbrengt hiervan kwam terecht op een geblokkeerde rekening van Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD)

Na de bevrijding werd de vraag gesteld of de schade die bedrijven hadden geleden toen zij onder verplicht beheer werden geplaatst, in aanmerking kwam voor financiële staatstussenkomst in het kader van de Wet van oktober 1947. De wetgever oordeelde van niet. De tussenkomst van het Sekwester m.b.t. bedrijven die onder Duits beheer stonden moet nog nader worden onderzocht.

Relevante archieven
Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG)
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester. Ministerie van Financiën
Archief Stad Antwerpen
Modern Archief/ Politie: drankgelegenheden Randgemeenten steekkaarten 1940-1945
Modern Archief/ Politie: drank - spijshuizen of inrichtingen in het Hotelbedrijf voor Joden of Joodse ondernemingen 1940-1945
Archief Stad Brussel
Bewaarplaats: Brussel
Auditoraat Generaal
Bewaarplaats: Justitie Paleis, Brussel
Dienst van het Sekwester
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
Bestuursafdeling voor Oorlogsslachtoffers (BO)
Bewaarplaats: Ministerie van Volksgezondheid
Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade
Bewaarplaats: Rampenfonds
Dienst Economische Recuperatie (DER)
Bewaarplaatsen: het archief van de DER is gedeeltelijk opgenomen in de dossiers van de Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade, verder is het archief verspreid geraakt in de Dienst van het Sekwester en het Algemeen Rijksarchief
Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD)
Bewaarplaats: Société Générale de France
 
 
 
 
2. Culturele goederen

De bezetter toonde veel belangstelling voor de bezittingen van de vrijmetselarij, van joodse organisaties of belangrijke intellectuelen (zowel joden als niet-joden) en marxistische instellingen. Het in beslag nemen van cultuurgoederen van de tegenstanders van het nationaal-socialisme viel onder de bevoegdheid van de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR). Maar ook de Sicherheitspolizei-Sicherheitsdienst (Sipo-SD) speelde een belangrijke rol in de roofactiviteiten, gericht tegen zowel joodse, maçonnieke als communistische verenigingen of personen.

De Sipo/SD toonde vooral belangstelling voor archieven en publicaties van de tegenstanders van het nationaal-socialisme omwille van hun politiek karakter. De ERR richtte zich naar historische archieven, bibliotheken en kunstwerken. Op 26 november 1940 verzond de ERR de eerste resultaten van hun roof in België naar hun hoofdkwartier in Berlijn (waaronder 32 kisten met joods materiaal). In het begin werden de cultuurgoederen geconcentreerd in en rond Berlijn, later werd omwille van geallieerde bombardementen gekozen voor afgelegen depots.

Na de nederlaag van Duitsland werden meer dan 500 opslagplaatsen met boeken, archieven en kunstwerken teruggevonden. De geroofde goederen werden gecentraliseerd in de Amerikaanse bezettingszones in Duitsland en Oostenrijk. In 1943 was reeds een internationaal akkoord getekend (gebaseerd op de Haagse Vredesconferentie van 1907) om geroofde cultuurgoederen aan de oorspronkelijke eigenaars terug te bezorgen. In datzelfde jaar werd door president Roosevelt een commissie opgericht die het cultureel patrimonium in de oorlogsgebieden moest beschermen. De sectie “Monuments, Fine Arts & Archives” (MFA&A) had de taak om geroofde cultuurgoederen na het beëindigen van de oorlog te restitueren. De conferentie van Parijs in 1945 behandelde dan weer de problematiek van herstelbetalingen en restituties.

In België werd binnen de Dienst Economische Recuperatie (DER) een kleine cel opgericht die zich uitsluitend toelegde op de recuperatie van Belgische geroofde cultuurgoederen. Maar de dienst had te lijden onder het gebrek aan documentatie over de in België verdwenen of geroofde cultuurgoederen. Hierdoor onstonden meermaals misverstanden die ertoe leidden dat culturele goederen die oorspronkelijk voor België bestemd waren in Frankijk of Nederland terecht kwamen. Toch slaagde men erin om op korte tijd 392 kunstwerken, 15.000 boeken en de archieven van de Oostkantons terug te halen. Het opsporen van archief gebeurde in samenwerking met het Algemeen Rijksarchief. De belangstelling ging vooral uit naar de recuperatie van staats- en ministeriële archieven, het recuperen van privé-archief was niet prioritair. Een belangrijk deel van de Belgische archieven kwam na de oorlog terecht in de Russische Federatie.
De restitutie van deze archieven verloopt via diplomatieke weg maar een oplossing hiervoor is nog niet in zicht. De restitutie van Belgische bibliotheken en archieven was en is sterk afhankelijk van de goodwill van buurlanden als Nederland en Frankrijk en van de Sovjet-Unie.

Relevante archieven
Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR)
Bewaarplaats: Centraal Staatsarchief van de Hogere Gezag- en Bestuursorganen van de Oekraïne (TsDAVO), Oekraïne
Sicherheitspolizei - Sicherheitsdienst (Sipo - SD)
Bewaarplaats: Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij
Offenbach Archival Depot (OAD)
Bewaarplaats: National Archives, Washington
Dienst Economische Recuperatie (DER)
Bewaarplaats: Ministerie van Economische Zaken
Monuments, Fine Arts & Archives (MFA&A)
Bewaarplaats: Ministerie van Economische Zaken
 
 
 
 
3. Diamant

De diamantindustrie was geconcentreerd in Antwerpen en deze sector werd door de bezetter grondig herschikt om een systematische plundering mogelijk te maken. In een eerste fase werden ongeveer 700 kluizen, die toebehoorden aan in mei 1940 gevluchte joden, door het Devisenschutzkommando (DSK) geopend. Het DSK werd vooral via de banken op de hoogte gehouden van kluizen die toebehoorden aan buitenlandse of joodse onderdanen. Op 5 en 31 juli 1940 werd iedereen verplicht om voorraden diamant aan te geven bij het DSK. Eind 1940 moesten de diamantvoorraden opnieuw worden aangegeven, maar nu bij de Diamantkontrollstelle die in augustus 1940 was opgericht. Het DSK werd ingeschakeld om niet aangegeven diamant te recupereren. De Duitsers besloten begin 1941 de Belgische administratie en het belangrijkste diamantbedrijf Forminière (gecontroleerd door de Société Générale) in te schakelen bij de controle van de diamantmarkt. Dit leidde tot de oprichting van een Diamantcentrale waarvan de administratieve afdeling, de Diamantcontrole, de rol overnam van de Diamantkontrollstelle. Op 15 november 1941 volgde de verplichte deponering van geslepen diamant en op 25 februari 1942 die van ruwe diamant.
De Verordening van 31 mei 1941 stipuleerde de verplichte ontjoodsing van ondernemingen en dit had ook gevolgen voor de diamantindustrie. In april 1942 ontvingen 1.103 diamanthandelaars een liquidatiebevel. William Frensel werd als beheerder van deze geliquideerde bedrijven aangesteld. Hij was al sinds 1941 verantwoordelijk voor het beheer van bedrijven van gevluchte joden. De Diamantcontrole kreeg in mei 1942 het bevel de bij haar gedeponeerde joodse goederen aan Frensel over te maken. De diamanten die door het DSK in beslag waren genomen werden eveneens aan Frensel overhandigd. Hij was namelijk ook verantwoordelijk voor de verkoop van de in beslag genomen diamant. De opbrengsten van het beheer kwamen terecht in de Westbank en werden later overgeheveld naar de Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD) onder controle van de Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG).
Op vraag van de Federatie der Diamantbeurzen werd naar aanleiding van de Duitse “Brüg”-Wet via de Dienst Economische Recuperatie (DER) een aanvraag ingediend met betrekking tot de aan Antwerpse diamanthandelaars ontroofde edelstenen. Voor de geroofde diamant kwam het niet tot een overeenkomst met de Duitse autoriteiten.

In verband met de restitutie van geroofde of verdwenen diamant blijven nog heel wat vragen onbeantwoord. Het onderzoek dat door SOMA- medewerker Eric Laureys hieromtrent wordt gevoerd zal meer duidelijkheid brengen.

Relevante archieven
Bestuursafdeling voor Oorlogsslachtoffers (BO)
Bewaarplaats: Ministerie van Volksgezondheid
Devisenschutzkommando (DSK)
Bewaarplaats: Studie -en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij
Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade
Bewaarplaats: Rampenfonds
Dienst Economische Recuperatie (DER)
Bewaarplaats: het archief van de DER is gedeeltelijk opgenomen in de dossiers van de Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade, verder is het archief verspreid geraakt in de Dienst van het Sekwester en het Algemeen Rijksarchief
Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD)
Bewaarplaats: Société Générale de France
Nationale Bank (NB)
Bewaarplaats: Nationale Bank, Brussel
Krijgsauditoraat bij het Militair Auditoraat van Antwerpen
Bewaarplaats: Paleis van Justitie, Brussel.
 
 
 
 
4. Geld
 

De Verordening van 31 mei 1941 beval dat bankrekeningen (eigendom van zowel joodse personen als bedrijven) overgedragen moesten worden aan deviezenbanken.

Alle bankinstellingen werden op vraag van de Dienst voor Aangifte Joodse Goederen verplicht om joodse rekeningen aan te geven. Later werd de centralisatie van alle joodse banktegoeden bevolen naar een rekening bij de Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD). Deze bank werd door het Militair Bestuur aangeduid als de bankier van de “vijandelijke bezittingen”. De Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG) was belast met het beheer van deze geblokkeerde joodse bankrekeningen en stelde voorgedrukte formulieren ter beschikking van de banken om de overdracht van hun klanten naar de SFBD te melden. Voor elke oorspronkelijke bezitter werd bij de SFBD een rekening op zijn naam geopend. Indien bij het openen van een kluis door het Devisenschutzkommando (DSK) deviezen werden aangetroffen, dan opende het DSK een SFBD- rekening op naam van de eigenaar van de kluis.

Een permanente afvaardiging van de Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG) was aanwezig in de Dossinkazerne van Mechelen. Zij namen al de waardevolle voorwerpen in beslag, waaronder ook belangrijke sommen geld. Deze in beslag genomen goederen kwamen waarschijnlijk eerst terecht in het Mechels filiaal van de Emissiebank en op het einde van de bezetting werden ook deze goederen overgeheveld naar SFBD. Het ging hier om een bedrag van ongeveer 20 miljoen BEF.

Het verlies van gelden werd niet vergoed door de Wet van 1 oktober 1947 betreffende het herstel van oorlogsschade aan private goederen. Het verlies van geld werd beschouwd als een verlies van ‘onlichamelijke’ goederen en kwam dus niet in aanmerking. Er werd een uitzondering gemaakt voor krijgsgevangenen en erkende politieke gevangenen. Zij kwamen wel in aanmerking voor volledig herstel: “Is begrepen in de materiële schade waarvan het volledige herstel aan de gevangenen wordt verleend, het wegnemen van alle om het even welke roerende goederen, tijdens huiszoekingen die op hun aanhouding volgden of deze voorafgingen”. Sommige categorieën van vaderlandslozen en vreemdelingen konden door middel van een Koninklijk Besluit met Belgen worden gelijkgesteld

Begin jaren vijftig besloot het voormalige West-Duitsland maatregelen uit te werken om de slachtoffers van het nationaal-socialisme te vergoeden. Deze maatregelen worden aangeduid onder de term “Wiedergutmachung”. Voor België is vooral de “Brüg-wet” van 1957 van belang. Die bood de mogelijkheid schadevergoeding te bekomen van goederen die door het Duitse Rijk in de bezette gebieden waren geroofd. Naar aanleiding van deze wet werd in 1959 via de Dienst Economische Recuperatie (DER) een aanvraag ingediend door enkele banken en door de Vereniging Hulp aan Joodse Slachtoffers van de Oorlog (beter bekend onder de naam Aide aux Israélites Victimes de la Guerre) voor de restitutie van de uit bankkluizen geroofde deviezen, waardepapieren en edelstenen.

Na de bevrijding werd de SFBD onder Sekwester geplaatst en begon een onderzoek om de oorspronkelijke eigenaars van de tegoeden terug te vinden. De oorspronkelijke bank werd gecontacteerd om de tegoeden opnieuw over te hevelen naar de rekening van de rechtmatige eigenaar. Indien deze niet kon worden gelokaliseerd, werd het bedrag in bepaalde gevallen, maar niet steeds, ondergebracht bij de Deposito- en Consignatiekas. Zo besloot de Dienst van het Sekwester in 1948 het geld dat in de Dossinkazerne in beslag was genomen en terechtkwam in de SFBD over te hevelen naar het 3de bureau van de Domeinen in Brussel en het als goed zonder eigenaar te beschouwen. Verder onderzoek met betrekking tot deze materie is noodzakelijk.

Relevante archieven
Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG)
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester. Ministerie van Financiën
Devisenschutzkommando (DSK)
Bewaarplaats: Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij
Archief Stad Brussel
Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade
Bewaarplaats: Rampenfonds
Dienst Economische Recuperatie (DER)
Bewaarplaatsen: het archief van de DER is gedeeltelijk opgenomen in de dossiers van de Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade, verder is het archief verspreid geraakt in de Dienst van het Sekwester en het Algemeen Rijksarchief
Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD)
Bewaarplaats: Société Générale de France
Bestuursafdeling voor Oorlogsslachtoffers (BO)
Bewaarplaats: Ministerie van Volksgezondheid
Hulp aan Joodse Slachtoffers van den Oorlog
Bewaarplaats: Joodse Sociale Dienst
Dienst van het Sekwester
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
Nationale Bank (NB)
Bewaarplaats: Nationale Bank
Emissiebank
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester. Ministerie van Financiën
Deposito- en Consignatiekas
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
 
 
 
 
5. Huisraad

Hitler gaf begin januari 1942 het bevel voor de inbeslagneming van meubelen die eigendom waren van gedeporteerde joden, de zogenaamde Möbelaktion. De Einsatzstab onder leiding van Rosenberg werd belast met deze taak, maar liet het snel over aan het Reichsministerium für die besetzten Ostgebiete (R.M.f.d.b.O.) dat eveneens onder bevel stond van Rosenberg. De maatregel voor de inbeslagneming van inboedels werd van kracht op 25 maart 1942. Kostbaarheden, kunstvoorwerpen en culturele bezittingen moesten afgezonderd worden en de verantwoordelijkheid hiervoor lag bij Rosenberg. Oorspronkelijk dienden de meubels te worden getransporteerd naar lokalen van de Duitse diensten in de bezette gebieden, maar al snel werd beslist om ze te schenken aan de slachtoffers van de bombardementen in Duitsland. In feite was de bezetter reeds in 1941 begonnen met het leegmaken van huizen van gevluchte joden. Groep VI (Vervoer) van het Militair Bestuur moest de 5.000 m³ in beslag genomen meubelen naar Duitsland vervoeren. Ook Belgische verhuisfirma’s werden gecontacteerd om het transport te verzorgen. De meubelen werden in afwachting daarvan in loodsen, eigendom van Antwerpse rederijen, opgeslagen.

De Feldkommandanturen (FK) stelden vast dat joden die zich moesten aanmelden voor deportatie hun huisraad begonnen te verkopen. Om dit te voorkomen werd op 21 september 1942 een Verordening uitgevaardigd die de verkoop van joodse inboedels verbood. Vanaf 7 december 1943 werd bij de ophaling van inboedels een soort van ontvangstbewijs (Beschlagnahmeschein) uitgereikt. Dit gebeurde op bevel van de Feldkommandanturen (FK) en de Oberfeldkommandanturen (OFK). De ontvangstbewijzen konden later door het BTG worden verzilverd en de opbrengst daarvan werd gestort op geblokkeerde rekeningen van o.a. de Continentale Bank, de Westbank en de Hansabank. De Möbelaktion heeft ertoe geleid dat ongeveer 100.000 m³ aan huisraad naar Duitsland werd overgebracht.

Politieacties van de Sicherheitspolizei-Sicherheitsdienst (Sipo/SD) of het Devisenschutzkommando (DSK) leverden ook vaak goederen op. De Bestuursafdeling voor Oorlogsslachtoffers bezit ongeveer 5.880 steekkaarten van personen die het slachtoffer werden van deze plunderingen.

Na de bezetting werd door de Wet van oktober 1947 betreffende de herstelling van oorlogsschade aan private goederen bepaald dat schade aan “stofferende” huisraad vergoed zou worden. De vergoeding was berekend op de behoeften van een eenvoudig gezin. Sommige categorieën van statenlozen en vreemdelingen konden door middel van een Koninklijk Besluit met Belgen worden gelijkgesteld. Voor de meeste joden die in België verbleven ten tijde van de bezetting was dit evenwel niet het geval.

In 1957 konden slachtoffers van ontvreemding van roerende goederen (omwille van rasonderscheid, levensbeschouwing of vijandigheid ten opzichte van het nationaal-socialisme) een aanvraag tot vergoeding indienen dankzij de Duitse “Brüg”-wet. Na een versoepeling van de voorschriften van de “Brüg”-wet in maart 1959 werd door de Dienst Economische Recuperatie (DER), op verzoek van de Vereniging Hulp aan Joodse Slachtoffers van de Oorlog (beter bekend onder de naam Aide aux Israélites Victimes de la Guerre), een aanvraag tot schadeloosstelling ingediend met betrekking tot het geroofde huisraad. De Duitse autoriteiten waren bereid hiervoor een schikking te treffen. Het eindakkoord bepaalde dat de gemiddelde waarde per leeggehaalde kamer 6.000 DM bedroeg. De Duitse overheid vergoedde 80% van dit bedrag.

Relevante archieven
Bestuursafdeling voor Oorlogsslachtoffers (BO)
Bewaarplaats: Ministerie van Volksgezondheid
Archief Stad Antwerpen
Modern Archief /oorlog 1940-45: geëvacueerde huizen ter beschikking
Modern Archief/ Politie 1940-1945: ontoegankelijke archieven
Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD)
Bewaarplaats: Société Générale de France
Archief Militair Bestuur voor België en Noord Frankrijk
Oberfeldkommandantur 672 Brussel (Joodse bezittingen)
Feldkommandantur 520 Antwerpen (Joodse bezittingen)
Bewaarplaats: Archives Nationales de France-Parijs
Archieven Verwalter Müller
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester
Archieven Verwalter A. Hütteman
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester
Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade
Bewaarplaats: Rampenfonds
Dienst Economische Recuperatie (DER)
Bewaarplaatsen: het archief van de DER is gedeeltelijk opgenomen in de dossiers van de Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade, verder is het archief verspreid geraakt in de Dienst van het Sekwester en het Algemeen Rijksarchief
United Restitution Organiszation (URO)
Bewaarplaats: Ministerie van Volksgezondheid
Hulp aan Joodse Slachtoffers van de Oorlog
Bewaarplaats: Joodse Sociale Dienst
Dienst van het Sekwester
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
Centre de Documentation Juive Contemporaine
Bewaarplaats: Parijs
 
 
 
 
6. Kunstvoorwerpen
 

Het rapport van de Groep XII van het Militair Bestuur bevestigt dat waardevolle voorwerpen die toebehoorden aan joden in beslag moesten worden genomen en dat de verantwoordelijkheid hiervoor lag bij de Einsatzstab Rosenberg. Ook in het kader van de Möbelaktion werd duidelijk gestipuleerd dat waardevolle objecten afgezonderd moesten worden zodat de dienst van Rosenberg, indien nodig, een selectie kon maken. Vanaf 1942 werden duizenden kunstwerken afgevoerd afkomstig uit leeggehaalde joodse woningen.
De bezetter maakte verder gebruik van de kunsthandel in België om aankopen te doen ten gunste van het Duitse Rijk. Kunstwerken en andere waardevolle objecten werden via tussenpersonen aangekocht ten voordele van nazi-leiders of voor het museum van Hitler in Linz. Er waren voldoende financiële middelen beschikbaar om kunstwerken die niet geroofd konden worden, al dan niet onder druk, te verwerven. Deze transacties werden na de bezetting ongeldig verklaard op grond van de Joint Declaration van 1943.

Een afzonderlijke cel van de Dienst Economische Recuperatie kon zich slechts zijdelings bezig houden met de recuperatie van kunstvoorwerpen die toebehoord hadden aan privé-personen. Ze was onderbemand en slecht gedocumenteerd. Haar belangstelling ging vooral uit naar de recuperatie van cultuurgoederen die hadden toebehoord aan musea en instellingen.

In de mate dat privécollecties konden worden gelokaliseerd, werden deze terugbezorgd aan de eigenaars of aan hun nabestaanden. De verhandelde kunstwerken kwamen onder beheer van de Belgische staat. Kunstobjecten die ongeschikt werden geacht voor musea of waarvan de precieze herkomst niet kon worden achterhaald, werden geveild in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel. Tussen 1948 en 1954 vonden zes veilingen plaats, de opbrengst ging naar de Belgische Staat. Als mensen objecten konden identificeren die hen toebehoord hadden, werden deze uit de veiling teruggetrokken. Eigenaars van verdwenen of geroofde kunstvoorwerpen konden bij de Dienst Economische Recuperatie aangifte doen.

Relevante archieven
Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG)
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR)
Bewaarplaats: Centraal Staatsarchief van de Hogere Gezags- en Bestuursorganen van de Oekraïne (TsDavo)
Offenbach Archival Depot. (OAD)
Bewaarplaats: de maandverslagen van Offenbach Archival Depot worden vandaag in de National Archives of Washington bewaard. De microfilms hiervan kan men raadplegen in het Bundesarchiv Koblenz
Dienst Economische Recuperatie (DER)
Bewaarplaats: Ministerie van Economische Zaken
Monuments, Fine Arts & Archives (MFA&A)
Bewaarplaats: Ministerie van Economische Zaken
 
 
 
 
7. Onroerende goederen

De Verordening van 28 oktober 1940 voorzag in de verplichte aangifte van grondbezit bij de Dienst voor Aangifte Joodse Goederen, die deel uitmaakte van de Groep XII van het Militair Bestuur. De derde jodenverordening van 31 mei 1941 verklaarde duidelijk dat onroerend goed en de rechten op onroerend goed in het bezit van joden of joodse ondernemingen verplicht moesten worden aangegeven bij het Bureau voor Aangifte van Joods Goederen. Ongeveer 3.000 onroerende goederen werden aangegeven als zijnde eigendom of medeëigendom van joden of joodse ondernemingen. Hieronder viel ook de aangifte van commercieel onroerend goed, zoals dat van het belangrijkste joodse immobiliënkantoor de Société Immobiliaire Bernheim. Tot onroerend goed behoorden zowel appartementen, eengezinswoningen als landbouwgronden (zelden eigendom van joden) in privaat of commercieel beheer. Het beheer stond onder controle van het Duits Militair Bestuur in Brussel. Enkel in Antwerpen werd het beheer waargenomen door de lokale Feldkommandantur. De Brusselse beheerder, aangesteld door het Militair Bestuur, maakte gebruik van de administratie en de commerciële dienst van het immobiliënkantoor Société Immobiliaire Bernheim waarvan het tegelijk beheerder was.

Het innen van de huurgelden verliep niet altijd even rimpelloos. De meeste huizen bevonden zich in slechte staat en de huurgelden van de gedeporteerde joodse huurders konden uiteraard niet meer geïnd worden. De opbrengst van het beheer, ongeveer 12 miljoen BEF tegen het einde van 1943, werd gestort op een geblokkeerde rekening.

De rechterlijke macht verbood de Belgische notarissen verkoopaktes van joods onroerend goed te bekrachtigen. Dit maakte de verkoop van joods onroerend goed onmogelijk. Een Verordening van 21 december 1943 omzeilde dit verbod door de verkoop van onroerend goed te laten bekrachtigen door een Duitse notaris. De opbrengsten van het beheer van grondbezit en immobiliën werden (in Antwerpen althans) gestort op rekeningen van de Banque de Paris et des Pays-Bas en de Banque de Commerce.

De vergoeding van aan onroerend goed geleden schade werd door de Wet van 1 oktober 1947 geregeld. Deze schadevergoeding gold enkel voor personen of rechtspersonen van Belgische nationaliteit. Er werden barema’s opgesteld, gaande van minder dan 200.000 tot 50 miljoen BEF en meer. Op grond hiervan werd in zekere gevallen integraal herstel toegekend, soms was dit herstel gedeeltelijk en soms werd geen schadevergoeding toegekend.

In Antwerpen werd het onroerend goed dat onder beheer stond van Verwalters na de bevrijding onder Sekwester geplaatst. Een aantal plaatsvervangende rechters werden door de Rechtbank van Eerste Aanleg aangesteld om de eigendommen ter beschikking te stellen van de rechtmatige eigenaars. Niet opgevorderde eigendommen werden verder beheerd in afwachting van de erfelijke regeling.

De rol die de Dienst van het Sekwester speelde bij de restitutie van joodse onroerende goederen moet nog nader onderzocht worden

Relevante archieven
Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD)
Bewaarplaats: Société Générale de France
Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG)
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester. Ministerie van Financiën.
Archief van de Stad Antwerpen
Modern Archief / Politie 1940-1945: geëvacueerde huizen ter beschikking
Modern Archief / Politie 1940-1945: leegstaande jodenwoningen
Modern Archief / Politie 1940-1945: beheer van Joodse eigendommen
Modern Archief / Politie 1940-1945: gesloten archieven
Archief van de Stad Brussel
Lijst 1: 371 dossiers in verband met de vordering van gebouwen van leden van de Joodse gemeenschap die gelegen zijn in Groot-Brussel
Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade
Bewaarplaats: Rampenfonds
Dienst Economische Recuperatie (DER)
Bewaarplaatsen: het archief van de DER is gedeeltelijk opgenomen in de dossiers van de Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade, verder is het archief verspreid geraakt in de Dienst van het Sekwester en het Algemeen Rijksarchief
Dienst van het Sekwester
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
Deposito- en Consignatiekas
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
Bestuursafdeling voor Oorlogsslachtoffers (BO)
Bewaarplaats: Ministerie van Volksgezondheid
Administratie van de Registratie en Domeinen
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
Verwalter Müller
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester
Verwalter Hütteman
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester
Ministerie van Financiën. Kantoor der Domeinen Antwerpen
Bewaarplaats: Antwerpen
 
 
 
 
8. Salarissen

De Verordening van 8 mei 1942 ontnam de joden hun sociale rechten zoals die erkend werden door de Belgische wet en bepaalde dat joden geen werkaanbiedingen afkomstig van het Rijksarbeidsambt (RAA) mochten weigeren. Het RAA moest alle geregistreerde joden, zowel mannen (geboren tussen 1882 en 1926) als vrouwen (geboren tussen 1902 en 1926), werk aanbieden.

In feite was het voornamelijk de Organisation Todt die joodse dwangarbeiders tewerkstelde. Vanuit Antwerpen, Brussel, Charleroi en Luik werden tussen 13 juni en 12 september 1942 2.252 joodse dwangarbeiders naar Noord Frankrijk gedeporteerd. De Organisation Todt stelde hen ter beschikking van firma’s die werkten aan de bouw van de Atlantik Wall. De joodse dwangarbeiders kregen van deze bedrijven een vergoeding van 10 frank per dag. Deze “salarissen” werden gestort op een rekening bij de Banque de Paris et des Pays-Bas. Het merendeel van de joodse dwangarbeiders die door de Organisation Todt werden tewerkgesteld, werden in 1942 naar Auschwitz gedeporteerd.

Het Rijkarbeidsambt besloot te gaan samenwerken met de door de bezetter opgerichte Jodenvereniging in België (JIB). De JIB nam het initiatief om joodse arbeiders in België te werk te stellen. Zij werden tewerkgesteld in de Belgische industrie of in de landbouwsector. Of de joodse dwangarbeiders hiervoor een salaris ontvingen en door wie het werd beheerd, hebben wij nog niet kunnen achterhalen.

In 1943 vroeg de Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG) om de niet opgeëiste salarissen, uitbetaald aan joodse dwangarbeiders die gewerkt hadden voor de Organisation Todt, over te hevelen naar een rekening van de Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD). Het ging om een bedrag van ongeveer 1.349.265 BEF. Na de bevrijding heeft de SFBD slechts een gedeelte teruggestort aan joodse dwangarbeiders wiens salaris tijdens de bezetting gestort was op de Banque de Paris et des Pays-Bas. In 1958 werd een bedrag van 965.758 BEF overgeheveld naar de Deposito- en Consignatiekas. Volgens een onderzoeker van de Bestuursafdeling voor Oorlogsslachtoffers ging het hier niet om een goed zonder eigenaar, maar om het ontbrekende bedrag afkomstig van salarissen van joodse dwangarbeiders.

Relevante archieven
Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG)
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester. Ministerie van Financiën
Banque de Paris et Pays-Bas
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester
Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD)
Bewaarplaats: Société Générale de France
Dienst van het Sekwester
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
Bestuursafdeling voor Oorlogsslachtoffers (BO)
Bewaarplaats: Ministerie van Volksgezondheid
Hulp aan joodse slachtoffers van de Oorlog
Bewaarplaats: Joodse Sociale Dienst
Jodenvereniging in België (JIB)
Bewaarplaats: Auditoraat - Generaal
Deposito- en Consignatiekas.
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
 
 
 
 
9. Schuldvorderingen

Een richtlijn voor het beheer van schuldvorderingen werd pas laat in de oorlog, in december 1943, uitgevaardigd. Deze richtlijn leunde nauw aan bij de derde jodenverordening van 31 mei 1942. De Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG) was belast met beheer van joodse schuldvorderingen. Vereffeningen van schulden werden bij deviezenbanken op geblokkeerde rekeningen gestort. De BTG kon enkel de schulden vorderen binnen België. Het lag in de bedoeling bedrijven te verplichten om schulden tegenover joodse schuldeisers bekend te maken. Op 10 oktober 1942 werd beslist om alle joodse banktegoeden te centraliseren in één enkele bank, de Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD). De Belgische Vereniging van Banken had hieromtrent duidelijk instructies ontvangen en de overdracht van joodse banktegoeden verliep zonder noemenswaardige problemen. Buitenlandse tegoeden en deviezen vielen niet onder de verplichte centralisatie omdat banken dan verplicht waren om de verzekering van dekking over te dragen aan de SFBD en dit werd niet opportuun geacht.

De recuperatie van schuldvorderingen viel niet onder toepassing van de Wet van oktober 1947.

Relevante archieven
Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG)
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester. Ministerie van Financiën.
Devisenschutzkommando (DSK)
Bewaarplaats: Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij
Bestuursafdeling voor Oorlogsslachtoffers (BO)
Bewaarplaats: Ministerie van Volksgezondheid
Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade
Bewaarplaats: Rampenfonds
Dossiers van de Dienst Economische Recuperatie
Bewaarplaatsen: het archief van de DER is gedeeltelijk opgenomen in de dossiers van de Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade, verder is het archief verspreid geraakt in de Dienst van het Sekwester en het Algemeen Rijksarchief
Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD)
Bewaarplaats: Société Générale de France
Dienst van het Sekwester
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
Deposito- en Consignatiekas
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
 
 
 
 
10. Sieraden, edele metalen en diamanten

Sieraden, edele metalen en diamanten werden meestal aangetroffen bij het openen van kluizen door het Devisenschutzkommando (DSK). In de meeste gevallen werd de opbrengst in bewaring gegeven in verzegelde omslagen bij de Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD); enkel goud moest worden overgemaakt aan de Emissiebank of aan de Reichskreditkasse.

De meeste bezittingen van deze aard werden in beslag genomen bij de aanmelding van joden in de Dossinkazerne te Mechelen. Daar was een permanente vertegenwoordiging van de Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG) aanwezig. De in beslag genomen voorwerpen werden aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. Indien geoordeeld werd dat de waarde miniem was, werden de voorwerpen voor bewaring overgedragen aan de Jodenvereniging in België. Tussen 1943 en 1944 werden meerdere verzegelde enveloppen met daarin juwelen overgedragen aan William Frensel. Vier dagen voor de bevrijding werd een belangrijke hoeveelheid verzegelde omslagen overgedragen aan een Duitse officier die voor de Hansabank een kantoor had geopend in de SFBD.

Na de bevrijding trachtte de SFBD, samen met het Sekwester, de eigenaars op te sporen van de in beslag genomen sieraden. Indien de rechtmatige eigenaar niet kon worden opgespoord werd de verzegelde envelop overgedragen aan de Deposito- en Consignatiekas. In 1959 werd op verzoek van de vereniging Hulp aan Joodse Slachtoffers van de Oorlog, toen beter bekend onder de naam “Aide aux Israélites victimes de la guerre (AIVG)”, door de Dienst Economische Recuperatie in het kader van de Brüg-wet een aanvraag tot schadevergoeding ingediend voor de in bankkluizen bewaarde en door de bezetter geroofde edelstenen.

Relevante archieven
Brüssleler Treuhandgesellschaft (BTG)
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester. Ministerie van Financiën.
Société Française de Banque et Dépôts (SFBD)
Bewaarplaats: Société Générale de France
Devisenschutzkommando (DSK)
Bewaarplaats: Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij
Hansabank
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester (Ministerie van Financiën)
Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade
Bewaarplaats: Rampenfonds
Dienst Economische Recuperatie (DER)
Bewaarplaatsen: het archief van de DER is gedeeltelijk opgenomen in de dossiers van de Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade, verder is het archief verspreid geraakt in de Dienst van het Sekwester en het Algemeen Rijksarchief
Bestuursafdeling voor Oorlogsslachtoffers (BO)
Bewaarplaat: Ministerie van Volksgezondheid
Deposito- en Consignatiekas
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
 
 
 
 
11. Waardepapieren

Volgens artikel 5 van de Verordening van 31 mei 1941 moesten waardepapieren (eigendom van zowel joodse personen als bedrijven) worden aangegeven en bewaard in een deviezenbank. De Dienst Aangifte Joodse Goederen verplichtte de deviezenbanken melding te maken van de waardepapieren die bij hen door joden in bewaring werden gegeven. Wie deze Verordening overtrad, riskeerde dat de waardepapieren door het Devisenschutzkommando (DSK) in beslag werden genomen. Het DSK roofde ook waardepapieren uit kluizen die op naam stonden van joden die het land waren ontvlucht.

Het beheer van de waardepapieren, die overgedragen waren aan deviezenbanken, was in handen van de Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG). Later werd ervoor gekozen om alle joodse waardepapieren bij de Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD) te concentreren. Voor de overdracht werden bijzondere overschrijvingsformulieren gebruikt. De waardepapieren werden samen met de liquiditeiten onder een zelfde rekening op naam van de rechtmatige joodse eigenaar bewaard. De BTG was ook verantwoordelijk voor de eventuele verkoop van de waardepapieren. Dit gebeurde, in de meeste gevallen, door filialen van Duitse banken of banken onder Duits beheer. Vaak was de BTG of het DSK niet in het bezit van het eigendomsbewijs dat noodzakelijk was voor de verkoop op de Beurs. Er werd dan gezorgd voor een schriftelijke verklaring van het Militair Bestuur die de eigendomserkenning op zich nam. De globale waarde van de waardepapieren die zich bij de SFBD bevonden werd geschat op ongeveer 216 miljoen BEF.

De Wet van 1 oktober 1947 oordeelde dat de gedwongen deposito’s, het verlies van aandelen en obligaties, Belgische of buitenlandse, niet kon worden vergoed door de staat.

Naar aanleiding van de “Brüg”-wet werd door enkele bankinstellingen en de Vereniging Hulp aan Joodse Slachtoffers van de Oorlog in naam van de rechtmatige eigenaar of erfgenaam een aanvraag bij de Dienst Economische Recuperatie (DER) ingediend voor schadeloosstelling.

Het Sekwester heeft samen met de SFBD getracht de rechtmatige eigenaars van de geroofde waardepapieren terug te vinden (zie rubriek geld).

Relevante archieven
Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG)
Bewaarplaats: Diensten van het Sekwester. Ministerie van Financiën.
Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD)
Bewaarplaats: Société Générale de France
Bestuursafdeling voor Oorlogsslachtoffers (BO)
Bewaarplaats: Ministerie van Volksgezondheid
Staatsarchiv Nürnberg
Bewaarplaats: Nürnberg
Devisenschutzkommando (DSK)
Bewaarplaats: Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij
Zelfstandig Kas voor Oorlogsschade
Bewaarplaats: Rampenfonds
Dienst Economische Recuperatie (DER)
Bewaarplaatsen: het archief van de DER is gedeeltelijk opgenomen dossiers van de Zelfstandige Kas voor Oorlogsschade, verder is het archief verspreid geraakt in de Dienst van het Sekwester en het Algemeen Rijksarchief
Hansabank
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester (Ministerie van Financiën)
Continentale Bank
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester (Ministerie van Financiën)
Westbank
Bewaarplaats: Dienst van het Sekwester (Ministerie van Financiën)
Dienst van het Sekwester
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
Deposito- en Consignatiekas
Bewaarplaats: Ministerie van Financiën
 
 
 
 
Lijst van afkortingen

 
 
 
AGAuditoraat Generaal
BOBestuursafdeling voor Oorlogsslachtoffers
BTGBrüsseler Treuhandgesellschaft
DERDienst Economische Recuperatie
DSKDevisenschutzkommando
ERREinsatzstab Reichsleiter Rosenberg
FKFeldkommandanturen
JIBJodenvereniging in België
MFA&AMonuments, Fine Arts & Archives
NBNationale Bank
OADOffenbach Archival Depot
OFKOberfeldkommandanturen
RAARijksarbeidsambt
SFBDSociété Française de Banque et de Dépôts
Sipo - SDSicherheitspolizei - Sicherheitsdienst
UROUnited Restitution Organization