De vereffening van de
Brüsseler Treuhandgesellschaft

Rudi Van Doorslaer
Brussel, 20 oktober 1999

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
INHOUDSTAFEL

 
1. Inleiding

2. De situatie eind 1944

3. De eerste maatregelen om het BTG-vermogen te restitueren
 3.1. De lopende rekeningen
 3.2. De waardepapieren, verzegelde omslagen en kluizen

4. Een jaar later : problemen bij het restitueren van de ‘joodse’ rekeningen
 
5. 1946
 
6. 1947
 
7. 1948
 
8. 1949-1950
 
9.1951-1954
 
10.1955-1959
 
11. Besluit
 
 
 
 
 
 
 
 
1. Inleiding

 
Op 4 september 1944, bij de bevrijding van Brussel, werden alle bezittingen van ‘vijanden’ (hoofdzakelijk Duitse, Japanse en tot op een zekere hoogte Italiaanse) en van ‘verdachten’ (hoofdzakelijk Belgische collaborateurs) op basis van de Besluitwet van 23 augustus 1944 van de regering in Londen onder verzekerde bewaring gesteld. Om dit te realiseren werd op 4 september 1944, dag van publicatie van de Besluitwet in het Belgisch Staatsblad, de Dienst van het Sekwester opgericht; deze dienst kreeg het statuut van een openbare dienst met een eigen rechtspersoonlijkheid, met een eigen Raad van Beheer, een regeringscommissaris en een college van drie commissarissen verantwoordelijk voor het financieel toezicht. Op 31 oktober 1944 startte de effectieve werking van de Dienst. Door het Hoofdbestuur werden mandatarissen - of lasthebbers - aangewezen die verantwoordelijk werden voor het dagelijks beheer van de vermogens en goederen die onder sekwester waren geplaatst.

Bij deze onder bewaring gestelde goederen behoorden tevens de bezittingen van de Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG), een door het Duits Militair Bestuur tijdens de bezetting gecreëerde vennootschap voor het beheer van de ‘vijandelijke goederen’. Het betrof goederen van burgers van een - voor het Reich - vijandelijke natie (bijv. Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, etc.) en voornamelijk van joden.

Het naoorlogs beheer van de BTG werd in december 1944 toevertrouwd aan een afzonderlijke Dienst Sekwester BTG beheerd door twee mandatarissen : Alfred Pranger, Eerste Inspecteur (later directeur) bij Registratie en Domeinen, en Charles Moureaux, notaris te Etterbeek. De kantoren van deze Dienst werden gevestigd in de Koningsstraat, 72a te Brussel waar zich ook de zetel van de Société française de Banque et de Dépôts bevond. In oktober 1947 verhuisde de Dienst van Pranger naar de kantoren van de vroegere, onder sekwester geplaatste, Duitse Hansabank.

Op 16 oktober 1945 brachten Pranger en Moureaux een eerste verslag uit over hun activiteiten bij het Hoofdbestuur van het Sekwester; zij zouden dat gedurende de eerste jaren enkele keren per jaar doen. Vanaf 1 mei 1946 zette Eerste Inspecteur Pranger de vereffeningsopdracht van de BTG alleen verder: notaris Moureaux ging dan op rust. Vanaf 26 november 1948 werd dit voor Pranger een halftijdse betrekking tot april 1956, datum waarop het mandaat van Pranger ten einde liep.

Op basis van deze verslagen kan de naoorlogse vereffening van de door de BTG beheerde rekeningen en van het eigen door de BTG opgebouwde (en uit haar roofactiviteiten voortgesproten) vermogen, stap voor stap worden gevolgd. Deze vereffening begon eigenlijk op 4 september 1944 en liep door tot de opheffing van het Bestuur van het Sekwester op 1 januari 1960 (waarna de bevoegdheden van de Dienst werden overgenomen door Belgische Staat, Administratie van Registratie en Domeinen van het Ministerie van Financiën).

De belangrijkste elementen van deze vereffening worden wat de joodse goederen betreft in dit verslag samengevat, geanalyseerd en van commentaar voorzien. Aangezien het hier evenwel een bijzonder complexe materie betreft - met raakvlakken op financieel en juridisch vlak - die een belangrijk, zo niet het belangrijkste aandeel zal vormen in het eindverslag van de Studiecommissie, wens ik erop te wijzen dat dit verslag nadrukkelijk als voorlopig dient te worden beschouwd en enkel een relaas vormt van de actueel verworven kennis terzake.  
 
 
 
2. De situatie eind 1944

 
Op 10 november 1944, nauwelijks twee maanden na de bevrijding van Brussel, leverde de Eerste inspecteur bij Registratie en Domeinen Alfred Pranger een eerste voorlopig verslag af over de oorsprong en de activiteit van de Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG). Daarin meldde hij dat de BTG werd opgericht bij notariële akte voor een Belgisch notaris op 12 oktober 1940, met als brede doelstelling “het beheer, de administratie, controle en liquidatie van goederen toebehorend aan particulieren en aan bedrijven”, inbegrepen alle daarbij vereiste financiële en industriële handelingen. Op 10 maart 1941 kreeg de BTG van de Economische Afdeling (Groep XII) van het Duits Militair Bestuur (DMB) het beheer van de ‘vijandelijke’ goederen toevertrouwd. Dat het in deze voor een goed deel om goederen toebehorend aan joden ging, beklemtoonde Pranger reeds in dit eerste verslag.

Voor zover Pranger had kunnen uitmaken beheerde de BTG deze goederen niet zelf, maar werd deze taak toevertrouwd aan beheerders. In het geval van liquidaties werd de opbrengst in enkele specifieke banken gedeponeerd, waar de BTG wel instond voor het beheer van de rekeningen. De centralisatie van de joodse rekeningen, zo meldde hij, gebeurde bij de Société française de Banque et de Dépots (SFBD). De BTG verplichtte de banken tot het openen van speciale rekeningen, in feite schatkistcertificaten met een looptijd van 6 maanden aan een door de BTG bedongen hogere interest. Dit liet de Duitse vennootschap toe 0,5% beheerskosten aan te rekenen.

In het begin openden de beheerders rekeningen op naam van de BTG, met telkens een subrekening op naam van de ‘vijand’-eigenaar van de rekening. Naderhand werd de koepelvermelding op vraag van de BTG zelf weggelaten en bleef enkel de naam van de eigenaar vermeld. Met uitzondering van de handtekening werden de subrekeningen dus als gewone rekeningen behandeld.

De gelden die op deze rekeningen waren samengebracht stonden niet ter beschikking van de BTG; zij kon enkel het beheer ervan waarnemen (wat bleek uit een juridisch geschil tussen de BTG en Banque de Paris et des Pays-Bas m.b.t. de poging van de vennootschap om sommen op de BTG-rekeningen van de bank als industriële investeringskredieten aan te wenden). Vooral m.b.t. de SFBD twijfelde Pranger er evenwel aan of de BTG zich steeds aan deze regel had gehouden. Zo werden bijv. aandelen in depot op naam van een joodse eigenaar op bevel van de BTG verkocht, hoewel de bedoeling daarvan blijkbaar wel was een bestaand passief van de eigenaar aan te zuiveren. Zo werden van de lopende rekeningen bijvoorbeeld ook schuldeisers of belastingen betaald.

M.b.t. de Duitse joden (of statenloze voormalige Duitse joden) signaleerde Pranger een bijzondere toestand : hun goederen werden in beslag genomen ten voordele van het Reich, ook op het Belgisch grondgebied. Dit was volgens de Eerste inspecteur van Registratie en Domeinen onmiskenbaar een daad van plundering waarvoor de BTG de volle verantwoordelijkheid droeg.

Andere dan Duitse joden werden eveneens het slachtoffer van daden die als beroving kunnen bestempeld worden : woningen, handelsfondsen, bedrijven werden verkocht of geliquideerd zonder tussenkomst van de rechtmatige eigenaar. De opbrengst ervan werd, na aanzuivering van eventuele schulden, op een BTG-rekening op naam van de joodse eigenaar geplaatst.

Eind augustus 1944 verliet de BTG met zijn talrijk personeel (de BTG betrok de 5de en 6de verdieping van de Shell Building) Brussel en nam alle archieven mee. De voorbereiding van de vereffening van het vermogen van de BTG was dan ook niet eenvoudig. Pranger steunde zich in den beginne uitsluitend op de documentatie van de banken die de BTG-rekeningen beheerden (met uitzondering van de Duitse Westbank en de Continentale bank die eveneens hun archieven hadden meegenomen).

De financiële situatie van het ‘BTG-vermogen’ bij de 9 betrokken banken zag er op basis van de op 10 november 1944 samengebrachte gegevens als volgt uit :  
 
BankAantal lopende rekeningenSaldo lopende RekeningenWaarde-papierenKluizen
1. Crédit Lyonnais55058 milj.32
2. SFBD4.000140 milj.Ca. 2.00012
3. Banque de Commerce50075 milj.25
4. Lloyds & National80033 milj.17
5. Banque de Paris et des Pays-Bas65079 milj.10
6. Westminster Foreign Bk70039 milj.22
7. Hansa Bank50026 milj.
8. Continentale Bank3Ca. 35 milj.
9. Westbank?Ca. 68 milj.
 
 
Voor de meeste banken was het actief gedekt door het in België aanwezige vermogen. Enkel voor de Westbank en de Continentale Bank bestond daaromtrent nog enige twijfel. Wij zullen hier verder enkel die elementen volgen die van belang zijn voor de door de BTG beheerde joodse goederen.  
 
 
 
3. De eerste maatregelen om het BTG-vermogen te restitueren

 
3.1. De lopende rekeningen

 
De opvatting van Pranger in deze materie was dat het vermogen dat door de BTG werd beheerd één geheel vormde, waarvoor zij op een solidaire wijze debiteur was t.a.v. alle rechthebbenden. Wanneer zou blijken dat de bedragen die tegen de wil van de eigenaars bij bepaalde bankinstellingen waren geplaatst niet volledig gedekt waren, drong een rechtvaardige verdeling tussen alle rekeninghouders zich op (zelfs voor de rekeningen die nog in dezelfde instelling waren gebleven als voor de oorlog). Pranger voorzag uiteraard dat deze opvatting tot juridische disputen zou leiden, zodat in feite de gerechtelijke autoriteiten onrechtstreeks het laatste woord zouden krijgen in deze netelige kwestie.

Het totaal van de rekeningen bedroeg 554 miljoen BEF; daarvan waren - inclusief de 26 miljoen van de Hansabank - 450 miljoen BEF gedekt. Enkel dus de rekeningen van de Westbank en de Continentale Bank - ca. 30% van het door de BTG beheerde vermogen - waren niet gedekt. Bij de SFBD, waar de tegoeden van de joodse ‘vijanden’ werden ondergebracht, waren de rekeningen wel voor 100% gedekt.

In afwachting van een definitieve oplossing, en omdat de druk op zijn diensten steeds groter werd, stelde Pranger in november 1944 voor een schijf van 50% van de rekeningen vrij te geven. Hiervoor bestond in ieder geval een voldoende veiligheidsmarge. De teruggave kon evenwel niet met een algemene maatregel gebeuren, maar vereiste een beslissing voor iedere rekening afzonderlijk. Daarvoor moest de betrokkene :
i/ zijn eigendomsrecht en de niet verdachte oorsprong van het bezit aantonen; bij afwezigheid van de archieven van de BTG werd het eenvoudig bestaan van een BTG-subrekening op naam in een bank als onvoldoende bewijs aanzien; ii/ zijn hoedanigheid van ‘niet-vijand’ aantonen met een attest van de politie (voor Belgen) of van de Openbare Veiligheid (voor buitenlanders).

Een bijkomend probleem vormden bepaalde rekeningen die slechts met initialen waren geïdentificeerd of die de betiteling ‘onbekend’ droegen. Zo stond onder andere een rekening met 24 miljoen BEF bij de SFBD onder de naam ‘Mecheln’ ingeschreven.
 
 
 
 
3.2. De waardepapieren, verzegelde omslagen en kluizen

 
M.b.t. de waardepapieren stelden zich volgens Pranger minder problemen. Aangezien ze individueel waren gebleven kon de teruggave, mits het vervullen van dezelfde formaliteiten als voor de lopende rekeningen, worden aangevat.

Daarnaast bestonden er bij de SFBD ook verzegelde omslagen op naam van de BTG en van particulieren. Hun teruggave leek aan dezelfde voorwaarden onderworpen te kunnen worden als de waardepapieren, behalve dat een bijzondere voorzichtigheid moest aan de dag gelegd worden bij de controle van het eigendomsrecht.

Ten slotte huurde de BTG ook kluizen bij de Crédit Lyonnais en bij de SFBD. Het inventariseren van de inhoud, onder de hoede van een notaris, moest nog worden aangevat. Hun teruggave kon vervolgens op dezelfde manier gebeuren als voor de waardepapieren.

In december 1944 werd op basis van deze voorstudie van de BTG een afzonderlijke Dienst Sekwester-BTG opgericht onder de leiding van Eerste Inspecteur Pranger bijgestaan door notaris Charles Moureaux.
 
 
 
 
4. Een jaar later : problemen bij het restitueren van de ‘joodse’ rekeningen

 
Bijna een jaar later kunnen wij dankzij een eerste systematisch rapport de eerste balans opmaken van de activiteiten van de Dienst.

De precieze evolutie van de vereffening van het BTG-vermogen m.b.t. de joodse goederen kan in bijlage (tabel en grafiek) worden nagekeken. De sommen zoals ze in de eerste voorlopige opgave van november 1944 werden vermeld, bleken grosso modo ook correct. De eindsom op 4 september 1944 (bevrijding) bedroeg voor de SFBD : i/ 3.365 lopende rekeningen voor een totaalbedrag van 138,7 miljoen BEF en ii/1.345 rekeningen in waardepapieren (aandelen, obligaties en kasbons) voor een totale geschatte waarde op dat moment van 189,8 miljoen BEF, samen ca. 328,5 miljoen BEF. Een jaar later, op 30 september 1945, was de stand van zaken als volgt : i/ 1.973 lopende rekeningen voor een totaal bedrag van 102,6 miljoen BEF en ii/ 797 rekeningen in waardepapieren voor een op die datum niet geschat bedrag (was volgens Pranger een te arbeidsintensieve operatie voor de banken).

De vrees die de mandatarissen van het Sekwester BTG in oktober 1944 koesterden m.b.t. het niet gedekt zijn van de rekeningen bleek onterecht. Op 30 november 1944 besliste de Raad van Beheer van het Sekwester dat zowel de lopende rekeningen als de waardepapieren die afkomstig waren van banken die tijdens de bezetting niet onder Duitse controle vielen, konden vrijgegeven worden aan de eigenaars of hun rechthebbenden, mits aan enkele voorwaarden werd voldaan : i/zij mochten zelf niet onder de Besluitwet van 23 augustus 1944 vallen m.b.t. de vijandelijke goederen (maar dat was voor de joodse rekeninghouders, met uitzondering van de Duitse joden, uiteraard niet het geval); ii/de vrijgave gebeurde onder voorbehoud van de Besluitwetten op de financiële sanering en iii/de vrijgave gold enkel voor de “cas simples” (gewone gevallen), d.w.z. voor rekeningen die tijdens de oorlog slechts als normaal te bestempelen verrichtingen hadden ondergaan. Daaruit volgde dus impliciet dat rekeningen waarop ook de resultanten van liquidaties van onroerend goed, handelsfondsen, bedrijfsvoorraden, etc. waren gestort niet werden vrijgegeven. Deze gevallen moesten steeds aan de mandatarissen van het Sekwester BTG worden voorgelegd.

In december kwamen er bij het Hoofdbestuur van het Sekwester klachten binnen van bepaalde niet genoemde banken dat “certaines banques dépositaires” (hiermee werd ongetwijfeld ook de SFBD bedoeld) klanten poogden te overtuigen hun rekeningen niet terug over te brengen naar de banken waar de rekeningen zich oorspronkelijk bevonden. Zij wensten de tussenkomst van het Sekwester om de “banques dépositaires” ertoe te verplichten de door de BTG beheerde rekeningen naar die oorspronkelijke bankinstellingen te transfereren. De Raad van Beheer was evenwel van mening dat de Dienst van het Sekwester hierin niet kon tussenkomen.

Op 31 januari 1945 stuurde de Belgische Vereniging van Banken een rondschrijven naar zijn leden waarin werd gemeld dat de Minister van Financiën (in deze materie vertegenwoordigd door het Hoofdbestuur van het Sekwester) zijn akkoord had betuigd met een dergelijke collectieve transfer (“dat de vermogens…in hun geheel in de banken van herkomst mogen overgedragen worden”). De directie van de SFBD vond dit rondschrijven tegenstrijdig aan de richtlijnen van de mandatarissen van het Sekwester BTG en vroeg daarom of nu alle rekeningen zonder verdere plichtplegingen konden overgemaakt worden aan de oorspronkelijke banken of slechts die rekeningen die in de categorie “cas simples” thuishoorden.

Met betrekking tot dit probleem, en de meer algemene vraag naar de bevoegdheid van de Dienst van het Sekwester om tussen te komen in het beheer van de goederen van de Brüsseler Treuhandgesellschaft, besliste de Raad van Beheer van het Sekwester het juridisch advies in te winnen van drie eminente advocaten. In hun advies wezen de meesters Hermans, Marcq en Marx erop dat het bij Besluitwet van 23 augustus 1944 ingevoerde sekwester op geen enkele wijze met een klassiek sekwester kon vereenzelvigd worden; de rechten en de plichten van de Dienst van het Sekwester konden uitsluitend op basis van de Besluitwet zelf vastgesteld worden. Volgens artikel 8 van deze Besluitwet werd aan de Dienst de inventarisatie, de bewaring en het beheer van de vijandelijke goederen toevertrouwd. De BTG (net als bijv. het Jüdisches Grundbesitz) beheerde evenwel goederen die het zich onder dwang had toegeëigend en dit beheer had opgehouden op de dag van de bevrijding. Hieruit volgde, nog steeds volgens het juridisch advies, dat de goederen die de BTG beheerde (voor zover het goederen betrof die na 4 september 1944 als niet-vijandelijk konden gekarakteriseerd worden, wat bijv. voor het eigen vermogen van de BTG zeker niet het geval was) volgens de Besluitwet van 23 augustus 1944 strikt gezien niet vielen onder het verplicht beheer van de Dienst van het Sekwester : “C’est donc à bon droit que l’Office (…) a rendus libres, sans aucune formalité, les comptes fiduciaires provenant d’un transfert de banque à banque”. De 3 advocaten wezen dus, op basis van de bestaande wetgeving, elke verplichting tot beheer van de BTG-goederen door de Dienst van het Sekwester van de hand : “(…) la seule obligation qui paraît résulter pour l’Office de la situation dans laquelle il est placé par la loi en sa qualité de séquestre des biens ennemis, c’est de signaler aux tiers non ennemis les biens et créances appartenant à ceux-ci et qu’il trouve dans le patrimoine ennemi dont il prend la charge”. Verder uitsluitsel over de praktische gevolgtrekking die uit dit advies werd gepuurd zal ongetwijfeld door de archieven van de SFBD worden geleverd.

De belangrijkste vaststelling na een jaar was dat de som op de rekeningen van de SFBD niet parallel aan de rekeningen bij de andere banken was gezakt. Het betrof hier uiteraard joodse rekeningen, die daarenboven vaak de resultante waren van gedwongen liquidaties van bedrijven of handelszaken in het kader van de door de bezetter opgelegde ‘arianisering’. Deze operaties werden door de Besluitwet van10 januari 1941, uitgevaardigd door de regering in Londen, collectief teniet gedaan. Het gevolg hiervan was dat de eigenaars niet zonder meer opnieuw bezit konden nemen van hun goed en tegelijkertijd de som van de geannuleerde verkoop (op naam van de oorspronkelijke eigenaar gestort op een subrekening van de BTG bij de SFBD) opeisen. Hier stelde zich volgens Pranger en Moureaux een juridisch probleem. Het was aan de oorspronkelijke eigenaars om een keuze te maken : ofwel verzaakten zij aan het goed en dan konden zij beschikken over hun SFBD-rekening, ofwel namen zij terug bezit van hun goed maar dan bleef de verkoopsom op de SFBD-rekening geblokkeerd.

Een ander probleem werd gevormd door enkele als anoniem beschouwde subrekeningen bij de SFBD : de rekening Frensel (Verwalter van de diamantsector) en de rekening ‘Mecheln’ (waarop ondermeer de lonen waren gestort van de op dat ogenblik nog niet geïdentificeerde joodse arbeiders die verplicht waren tewerkgesteld door de Organisation Todt in Noord-Frankrijk). Er was, midden 1945, geen informatie aanwezig om de rekeninghouders of hun eventuele rechthebbenden te identificeren. Samen stond er bijna 42,5 miljoen BEF op deze rekeningen.

Verder vielen tevens de juwelen en andere aan de joden in België ontstolen waardevolle voorwerpen onder het BTG-sekwester. Deze werden bewaard in kluizen van de Nationale Bank in Mechelen, 12 kluizen bij de SFBD, 2 kluizen van de Crédit Lyonnais, 1 kluis bij de Banque de Paris et des Pays-Bas en een ‘geblindeerde ruimte’ bij de Bank van Brussel. Enkele dagen voor de bevrijding werden de meest waardevolle voorwerpen door bedienden van de BTG meegenomen. Dat gold ook voor het liquide geld dat in de Dossinkazerne in Mechelen in beslag was genomen. In de ruimte van de Bank van Brussel werden schilderijen aangetroffen, waaronder meerdere van bekende meesters.

Ten slotte had de BTG ook een eigen rekening geopend bij de SFBD ter beheer van het eigen geroofd vermogen. De beheerskosten die door de BTG voor haar Verwalters werden aangerekend werden meestal doorgestort naar Postchequerekening PCR020 van de BTG of naar rekening 29.346 bij de Banque de Paris et des Pays-Bas. Dit liet de BTG toe haar werknemers te betalen. Het grootste deel vloeide evenwel af naar de Dresdner Bank in Berlijn of, minder voorkomend, de Continentale Bank in Brussel. Deze transfers naar Duitsland schatte Pranger op minstens 50 miljoen BEF. Het resultaat hiervan was dat de eigen middelen van de BTG in september 1944 zeer beperkt waren.
 
 
 
 
5. 1946

 
In februari en maart 1946 berichtte Pranger opnieuw over de stand van zaken bij de vereffening van de BTG-rekeningen. Er was nu door de Dienst een duidelijk beter inzicht verworven in de diverse onderrekeningen.

Zo was er de rekening "Mecheln", ten dele bestaande uit lonen van de joodse arbeiders die in Noord-Frankrijk waren tewerkgesteld geweest. Pranger stelde vast dat bijzonder weinig lonen waren uitbetaald. Aangezien veel van deze arbeiders rechtstreeks naar Mechelen waren gebracht en vandaar naar Auschwitz gedeporteerd, hoeft deze vaststelling niet te verbazen. Hij stipte in dit verband aan dat de ontstentenis van wettelijke regels bij het ontbreken van een overlijdensattest de aanwijzing van rechthebbenden, en bijgevolg de vereffening van de rekening "Mecheln", bemoeilijkte. Op 1 mei 1946 was op een totaalbedrag van 1.350.251,08 BEF op de rekening "Mecheln" (lonen) 227.485,95 BEF gerestitueerd. Wellicht omdat deze vereffening riskeerde over een lange periode gespreid te worden, werd de rekening Mecheln met toestemming van het Ministerie van Financiën in mei 1946 van de SFBD naar de Postchèque (PCR) getransfereerd. Deze rekening werd in twee PCR-rekeningen opgesplitst waarop in juni 1946 respectievelijk 1.122.765,13 BEF (lonen) en 21.878.916, 87 BEF (algemeen) gedeponeerd was. Signaleren wij hier uitzonderlijk ook het bestaan van een rekening "Zigeuner", eveneens naar de PCR overgebracht, met erop een bedrag van 239.692, 12 BEF.

Een ander probleem vormde de rekening Frensel, eveneens bestaande uit een groot aantal subrekeningen. Frensel was de spilfiguur in de ontjoodsing van de Belgische diamanthandel en -nijverheid. Op teruggevonden lijsten werden 886 personen als Frensel-rekeninghouders geïdentificeerd. Het Ministerie van Financiën ging ermee akkoord deze als aparte onderscheiden rekeningen te beschouwen. Pranger kondigde aan dat binnen de limieten van de door de muntsanering voorgeschreven regels de vereffening van deze rekeningen een aanvang had genomen. Er werd door het Ministerie ook beslist deze rekening bij de SFBD te houden.

Wat de gewone SFBD-rekeningen betreft kan een langzame progressie van de vereffening worden vastgesteld : 138,7 miljoen BEF in september 1944; 107,7 miljoen BEF in juni 1945; 93 miljoen BEF in maart 1946. Door de transfer van de rekening "Mecheln" naar de PCR viel het globaal bedrag bij de SFBD op 30 juni 1946 terug op 65,2 miljoen BEF en in november 1946 op 57,8 miljoen BEF (incl. de rekening Frensel).

Minder overzichtelijk, en in alle geval minder duidelijk is de evolutie bij de waardepapieren. Een aanvangsschatting van september 1944 van 189,8 miljoen BEF was bij een eerstvolgende schatting in maart 1946 op 42,5 miljoen BEF teruggevallen en liep tegen november van dat jaar verder tot 36,1 miljoen BEF terug. Een verklaring daarvoor, en voor de opmerkelijke discrepantie met de trage vereffening van de lopende rekeningen, kon in de rapporten van Pranger niet worden teruggevonden. Dit aspect moet ongetwijfeld verder worden uitgediept.

Ten slotte waren er de omslagen met juwelen en andere waardevolle voorwerpen die in de Dossinkazerne in beslag waren genomen. Van de 1.202 geïnventariseerde omslagen waren er in januari 1945 206 gerestitueerd. Onder deze omslagen bevonden er zich ook die het etiket ‘unbekannt’ hadden opgeplakt gekregen. In juni 1946 waren er bij het einde van de inventarisatie 2.286 omslagen geteld (met een totaal van 6.741 objecten) waarvan er 314 door eigenaars of rechthebbenden waren afgehaald. In november waren er dat 350 geworden.

In het algemeen had de Dienst Sekwester BTG nog geen initiatief genomen om de rekeninghouders op de hoogte te brengen van het bestaan van een rekening. Het initiatief moest volgens Pranger trouwens van de geïnteresseerden zelf uitgaan. Wel stelde hij een initiatief naar de buitenlandse handelsvertegenwoordigers in het vooruitzicht, maar dit was voor de overgrote meerderheid van joodse rekeningen van ondergeschikt belang. “D’une façon générale”, meldde Pranger in augustus 1946, “la liquidation des affaires israélites que la Brüsseler Treuhandgesellschaft avait centralisées chez la Société française sera une oeuvre de longue haleine, à raison d’abord de la disparition d’un grand nombre de titulaires, souvent avec des membres de leur famille; ensuite, de l’origine des fonds consignés; il s’agit fréquemment en effet du produit d’actes de disposition posés par les autorités occupantes à l’égard des biens appartenant à des israélites, source fréquente de litiges qui paralyseront la liquidation des comptes.”
 
 
 
 
6. 1947

 
Eind 1946 kwam, voor wat Pranger betrof, het inzicht in de werking van de BTG in een stroomversnelling. Op 6 december werden namelijk de archieven van de BTG, via de Dienst voor Economische Recuperatie (DER) van het Ministerie van Economische Zaken, uit Duitsland naar België gerepatrieerd. De Emissiebank stond in voor de klassering, waarna ze aan het Bestuur van het Sekwester werden toevertrouwd. Tussen deze bundels bevonden zich heel wat archieven van joodse bedrijven die tijdens de bezetting door de BTG waren in beslag genomen. Bedrijven die geïnteresseerd waren in de recuperatie van hun gestolen archieven konden daartoe een verzoek indienen bij het Sekwester BTG, mits betaling van 50 BEF per bundel en 20 BEF per map (onkosten voor repatriëring en klassering).

Eveneens via de DER kon respectievelijk 3.479.519,40 BEF en 171.738,40 FRF behorende tot het patrimonium van de BTG uit Duitsland gerecupereerd worden.

In zijn rapport van maart meldde Pranger dat de gemakkelijk op te lossen zaken achter de rug waren en dat de verdere vereffening erg langzaam zou verlopen. Dit deed hem er eind 1947 toch toe besluiten van tactiek te veranderen en zelf initiatieven te nemen om de titularissen van de rekeningen of hun rechthebbenden op te sporen. In eerste instantie werden namenlijsten doorgegeven aan bepaalde joodse organisaties, maar dat leverde niet veel resultaat op. Op 18 november werd dan via het agentschap Belga een persmededeling verspreid voor de Nederlandstalige en Franstalige geschreven pers en de radio; joden (in de teksten steevast "Israélites" genoemd) die in Mechelen hadden verbleven of tewerkgesteld waren geweest in Noord-Frankrijk werd gevraagd met de Dienst van het Sekwester contact op te nemen. Als gevolg van dit initiatief konden heel wat zaken geliquideerd worden. Pranger nam zich trouwens voor deze operatie te herhalen.

De gewone lopende SFBD-rekeningen waren op een jaar tijd - tussen november 1946 en eind september 1947 - van 57,8 miljoen BEF naar 42, 5 miljoen BEF gezakt. De waardepapieren kenden tijdens dezelfde periode een daling van 36,1 miljoen BEF naar 23,6 miljoen BEF.

In de afdeling van de juwelen en andere waardevolle voorwerpen was het aantal teruggegeven omslagen in dezelfde periode gestegen van 350 tot 530. Het aanzienlijk aantal als ‘onbekend’ gemerkte omslagen zette Pranger er in november 1947 toe aan bij zijn Hoofdbestuur een verzoek in te dienen om over te gaan tot de verkoop van de inhoud ervan. Deze vraag werd evenwel niet ingewilligd : art. 3 van de Londense Besluitwet van 10 januari 1941 legde een termijn van 3 jaar vast na het afsluiten van een vredesakkoord om het bezit op een gestolen goed te claimen. Pranger was het evenwel oneens met deze redenering van het Hoofdbestuur; volgens hem sloeg de Besluitwet van1941 op gedwongen verkopen, terwijl de voorwerpen die hij wenste te verkopen door de Duitsers gestolen waren. In feite, zo argumenteerde hij, kon een eigenaar zijn goed opeisen gedurende een periode van 30 jaar; maar hoe zou dat in de praktijk kunnen gebeuren als de eigenaar onbekend was? En hoe ging een eventuele eigenaar dan wel zijn eigendomsrecht aantonen? "Enfin pour mesurer les chances de revendication, il faut se rappeler que 95% des Israélites qui sont passés par Malines ne sont pas rentrés" besloot Pranger.

Wat ten slotte de lonen van de verplicht tewerkgestelde arbeiders betreft (rekening Mechelen-PCR) was er op 18 november 1947 281.714,35 BEF uitgekeerd aan 273 personen.
 
 
 
 
7. 1948

 
In februari 1948 kwam hoofdinspecteur Pranger nogmaals terug op wat hem een basisprobleem leek bij de trage vereffening van de SFBD-rekeningen. Vele van deze rekeningen waren de resultante van door de bezetter opgelegde verkopen van roerende of onroerende bezittingen. Het vrijgeven van die rekeningen hing af van de houding die de betrokkenen aannamen t.a.v. deze 'dépossession' (Pranger gebruikt de term onteigening; soms betrof het het verlies van het recht om over een goed te beschikken en het te beheren, soms betrof het verplichte verkoop). Kozen ze voor hun bezit (op basis van de Besluitwet van 1941 of de wet van 12 april 1947) of voor de resultante van de verkoop van hun bezit op een geblokkeerde SFBD-rekening? Sommigen, aldus Pranger, aarzelden nog om een keuze te maken, anderen wachtten af tot er duidelijkheid kwam (via onderhandelingen of door een rechterlijke uitspraak) in hun geschil met de huidige eigenaars. Ook waren er nog heel wat betrokkenen niet op de hoogte van het bestaan van een rekening en waren er ten slotte ook velen overleden.

Wanneer vorige opzoekingen geen resultaat hadden opgeleverd, schreef Pranger de gemeente aan waar de betrokkene het laatst had verbleven. Op die manier werd gepoogd de persoon opnieuw op het spoor te komen, zonder dat dit evenwel veel resultaten opleverde. Van een systematische zoektocht naar nabestaanden-rechthebbenden was er op geen enkel ogenblik sprake. Prangers besluit was reeds in 1948 dat "une bonne partie des sous-comptes fera finalement profit à l’Etat, à titre de 'biens vacants et sans maître’.

Inmiddels had het Sekwester BTG een deel van zijn schulden bij het Hoofdbestuur van het Sekwester kunnen afkorten zonder het eigen vermogen al te zeer aan te tasten. De Besluitwet van 13 januari 1947 m.b.t. de opheffing van het sekwester op de bezittingen van Duitse joden had hierbij een handje toegestoken in de vorm van terugbetaling van eerder uitgekeerde voorschotten en de betaling van algemene beheerskosten. Hoe dit te rijmen viel met de principiële beslissing die bij de oprichting van het Sekwester BTG was genomen om geen beheerskosten aan te rekenen op de bedragen die onder het beheer stonden van de BTG en die het Sekwester restitueerde, kon niet worden uitgemaakt. Verder besliste Pranger op 17 augustus 1948 tot een heffing van 5% op de PCR-rekening "Mecheln", waardoor een som van 1.093.945,80 BEF kon overgeschreven worden op de rekening van het Hoofdbestuur.

Wat de lopende SFBD-rekeningen betreft viel er weinig te signaleren. Tussen september 1947 en 30 september 1948 was het totaal van 42,5 miljoen BEF naar 35,4 miljoen BEF gezakt; de waardepapieren zakten van 23,6 miljoen BEF naar 19,5 miljoen BEF. M.b.t. de rekening "Mecheln" (lonen), waren er op 30 juni 1948 lonen terugbetaald aan 289 personen voor een totaal van 293.345,20 BEF.

Wat de juwelen betreft had Pranger aan het 3de Bureau van de Domeinen te Brussel 198 omslagen met etiket ‘unbekannt ‘ overgemaakt met het oog op hun verkoop. Daarin zaten juwelen, diamanten, uurwerken, ontwaarde gouden muntstukken en diverse andere voorwerpen voor een geschatte waarde van 400.000,- BEF. Opnieuw werd een heffing van 5% in het vooruitzicht gesteld met het oog op de dekking van inventaris- en beheerskosten (onder meer de huur van de kluizen).
 
 
 
 
8. 1949-1950

 
Op basis van de beslissing van de Raad van Beheer van het Sekwester van 27 juli 1948 werden begin 1949 de tegoeden op de PCR-rekening Mecheln-onbekend (20,8 miljoen BEF) via de Administratie der Domeinen naar de staatskas getransfereerd. Opnieuw werd door het Sekwester BTG 5% ingehouden voor administratie- en beheerskosten.

De lopende rekeningen SFBD waren tussen september 1948 en 31 december 1950 van 35,4 miljoen naar 24,8 miljoen gezakt; bij de waardepapieren was er zelfs een vrij sensationele vermindering tijdens de zelfde periode : van 19,5 miljoen BEF naar 5,4 miljoen BEF. Een verklaring hiervoor werd opnieuw niet gegeven. Het nog openstaande bedrag voor de lonen Mechelen was daarentegen nauwelijks gezakt : van 1.070.918,63 BEF naar 1.021.058,68 BEF.

Pranger meldde nu ook voor het eerst dat bepaalde bedrijven die tijdens de bezetting beheerskosten hadden dienen te betalen aan de Brüsseler Treuhandgesellschaft, schuldvorderingen hadden ingediend bij zijn Dienst zich steunend op de wet van 28 december 1948. Zijn antwoord daarop was geweest dat de BTG (lees hier het Sekwester BTG) zichzelf niet kon beschouwen als de schuldenaar van die bedragen, “qu’elle (=de BTG) n’a fait qu’encaisser pour le compte du Militärbefehlshaber” en dat bovendien de achtergebleven eigen middelen van de BTG geabsorbeerd werden door de vereffeningskosten van het Sekwester BTG.

De juwelen ‘unbekannt’ werden op last van het 3de Bureau van de Domeinen te Brussel verkocht. Ze brachten in totaal 558.179,20 BEF op, waarvan 5% werd ingehouden door het Sekwester BTG als beheerskosten; de resterende som werd in december 1950 doorgestort naar de Domeinen.
 
 
 
 
9. 1951-1954

 
Tot en met augustus 1951 bracht Pranger regelmatig, d.w.z. twee tot drie maal per jaar, verslag uit over de activiteit van het Sekwester BTG. Daarna vielen er grote gaten in zijn rapportering, zodat wij de draad pas in maart 1953 opnieuw kunnen opnemen.

De 24,8 miljoen BEF op de lopende SFBD-rekeningen van 31 december 1950 was op 31 december 1952 tot 20 miljoen en op 31 december 1954 tot 14,3 miljoen BEF gezakt; de waardepapieren zakten in dezelfde periode van 5,4 miljoen BEF naar respectievelijk 3,9 miljoen en 3,1 miljoen BEF.

In maart 1953 waren er lonen van 325 verplicht tewerkgestelde arbeiders uitbetaald aan de rechthebbenden voor een bedrag van 344.969,55 BEF; in november 1955 waren er dat 347 geworden voor een totaal bedrag van 377.279,75 BEF. Het resterende bedrag op de PCR-rekening bedroeg op 31 december 1955 : 974.615,33 BEF. Op basis van de Wet van 2 april 1958 werd het resterende bedrag van 965.758,70 BEF via de Deposito- en Consignatiekas (DCK) aan het Nationaal Werk voor Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers overgemaakt.

Op 31 december 1954 waren er in de afdeling juwelen 983 omslagen aan de rechthebbenden teruggegeven; ter vergelijking : het cijfer van september 1947 betrof 530 gerestitueerde omslagen. De gouden muntstukken die in de omslagen ‘unbekannt’ waren aangetroffen, werden in 1951 ter vereffening aan de Nationale Bank toevertrouwd; zij brachten 30.274,90 BEF op die, na aftrek van 5% beheerskosten, werden doorgestort naar het 3de Bureau der Domeinen te Brussel. Op vraag van het Hoofdbestuur van het Sekwester had Pranger in december 1954 4.810 omslagen met juwelen en persoonlijke voorwerpen afkomstig uit het verzamelkamp Mechelen doorgegeven aan de dienst ‘realisaties’ met het oog op hun verkoop. Zelf had het Sekwester BTG 725 omslagen in depot gehouden omdat daar het vooruitzicht op eventuele teruggave aan rechthebbenden realistisch was. Het verdere verloop van deze materie, in het bijzonder de opbrengst van de verkoop van de 4.810 omslagen, was in de verslagen niet meer terug te vinden. Verder onderzoek in de archieven van het Sekwester zal hieromtrent ongetwijfeld uitsluitsel bieden.

Op 10 maart 1953 schreef Pranger : “Les demandes de restitution d’objets ou de remboursement de salaires ne sont plus fréquentes. J’ai épuisé, en ce qui me concerne, toutes les possibilités de recherche ou d’information des intéressés”.

Als gevolg van deze stand van zaken vroeg het Hoofdbestuur van het Sekwester op 3 april 1953 aan Pranger de mogelijkheid te onderzoeken de resterende fondsen van het Sekwester BTG over te hevelen naar de DCK. In 1954 ging de DCK akkoord met de transfer van de rekeningen bij de Hansabank en de Westbank (dit gebeurde in de loop van 1955), de SFBD-rekeningen bleven voorlopig waar ze waren.

Inmiddels was Pranger ook op het terrein van de diamantsector actief. Na de recuperatie uit Duitsland van een deel van de in België geroofde diamanten, was de Federatie van diamantbeurzen overgegaan tot de verdeling van de opbrengst van de verkoop ervan. Eerder vrijgegeven tegoeden (resultante van de verplichte verkoop van diamanten tijdens de bezetting) van de SFBD-rekeningen Frensel werden als gevolg daarvan door Pranger, in samenspraak met de Federatie voor diamantbeurzen, voor rekening van de Administratie der Domeinen gerecupereerd. Op 31 december 1954 bedroegen de gerecupereerde en aan de Domeinen gestorte bedragen 6.181.222,78 BEF.
 
 
 
 
10. 1955-1959

 
Het rapport van 17 november 1955 was het laatste rapport van Alfred Pranger (toen directeur bij Registratie en Domeinen) m.b.t. de vereffening van de BTG dat wij in de archieven van het Sekwester BTG terugvonden. In april 1956 eindigde zijn mandaat als opdrachthouder van het Sekwester BTG. Vanaf dan werden alle rapporten m.b.t. de BTG-rekeningen rechtstreeks door de centrale Dienst van het Sekwester behandeld.

Voor deze laatste periode die loopt tot aan de ontbinding van de Dienst van het Sekwester op 1 januari 1960, beschikken wij slechts over enkele overzichtsverslagen van de directeur van de Dienst A. Bernier, respectievelijk van 1961 en 1963.

Tussen 31 december 1954 en 31 december 1958 waren de rekeningen SFBD van 14,3 miljoen BEF naar 10 miljoen gezakt; m.b.t. de waardepapieren is de zaak niet erg duidelijk : ze vertegenwoordigden nog 3,1 miljoen eind 1954, eind 1958 werden slechts de muntsaneringscertificaten weerhouden voor een bedrag van 1,4 miljoen BEF. Tussen 1956 en 1959 werden de rekeningen van de personen die sinds 1944 geen teken van leven meer hadden gegeven naar de DCK getransfereerd; over hoeveel het precies gaat, moet nog verder worden onderzocht. In 1963 bleven er enkel nog BTG-rekeningen bij de SFBD over, alle andere waren vereffend t.a.v. de rechthebbenden of de DCK. De nog overgebleven SFBD-rekeningen waren slechts deze waar reeds een opeising was gebeurd en de Dienst de zaak verder in behandeling had genomen.

In 1963 vroeg het Rekenhof de onmiddellijke transfer naar de staatskas van alle goederen die nog door de BTG (op dat ogenblik reeds de Administratie van Registratie en Domeinen) werden beheerd. De kritiek die in datzelfde jaar werd uitgebracht door het Rekenhof op de werking van het Sekwester BTG, ondermeer m.b.t. de houding van de mandatarissen t.a.v. de tegoeden die voortsproten uit de verplichte verkopen, zal verder dienen te worden onderzocht door de Studiecommissie.
 
 
 
 
11. Besluit

 
Verder onderzoek m.b.t. de bestemming van tegoeden die via de liquidatie van het Sekwester BTG i/terugvloeiden naar de oorspronkelijke bankinstellingen, ii/werden uitgekeerd aan de rekeninghouders of hun rechthebbenden en iii/naar de Schatkist afvloeiden dringt zich op. De aangewezen methode om dit te doen is : i/een doorgedreven onderzoek verrichten in de archieven van de SFBD m.b.t. de ‘eenvoudige gevallen’ en ii/het andere uiteinde van de lange weg bestuderen, met name in de inkomsten van de Schatkist. Dit laatste kan gebeuren via de Administratie van de Schatkist, maar tevens, en wellicht complementair, via de tussenstations van de Deposito- en Consignatiekas en de Administratie van de Domeinen.

Ten slotte zullen ook andere sekwesters van door Duitse diensten onder Verwaltung gestelde joodse goederen, in het bijzonder m.b.t. de vastgoedsector, op dezelfde wijze moeten onder de loep genomen worden.