Joods vastgoed in België:
roof en restitutie (1940-1963)

Fanny Coeckelbergh
Brussel, 31 januari 2000

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
INHOUDSTAFEL

 
1.Het beheer van joods onroerend goed
 1.1 De aangifte
   1.2 Het beheer
   1.2.1 Algemeen
   1.2.2 De situatie in Antwerpen
   1.2.3 De situatie in Brussel en de overige provincies:
   Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien

2. Verkoop van joods onroerend goed
 2.1 Instructies van het Militair Bestuur
   2.1.1 Algemeen
   2.1.2 Procedure
 2.2 De verkoop
   2.2.1 Algemeen
   2.2.2 Antwerpen
   2.2.3 Brussel en de overige provincies
 2.3 Besluit

3. De situatie na de bevrijding: de vereffening van Verwaltungen in Antwerpen en Brussel
 3.1. De vereffening van de Verwaltung des jüdischen Grundbesitzes in Belgien
   3.1.1. Inleiding
   3.1.2. De situatie in 1945
   3.1.3. De situatie in 1945 - 1947
   3.1.4. De situatie van 1949 - 1959
   3.1.5. Besluit
 3.2. De vereffening van de Verwaltungen in Antwerpen
   3.2.1. Inleiding
   3.2.2. Besluit
 
 
 
 
 
 
 
1. Het beheer van joods onroerend goed 
 
1.1. De aangifte

De Verordening van 28 oktober 1940 voorzag in de verplichte aangifte bij de Dienst voor Aangifte Joodse Goederen van het grondbezit van ondernemingen en van belangrijke joodse vermogens. Deze dienst maakte deel uit van de Groep XII van het Militair Bestuur (MB).

De daaropvolgende jodenverordening van 31 mei 1941 verklaarde dat alle onroerend goed en de rechten op onroerend goed in het bezit van joden of joodse ondernemingen verplicht moesten worden aangegeven bij de Dienst voor Aangifte van Joodse Goederen. Ongeveer 3.000 onroerende goederen werden aangegeven als zijnde eigendom of mede-eigendom.
Tot onroerend goed behoorden zowel appartementen, eengezinswoningen, onbebouwde terreinen, industriegronden als landbouwgronden (zelden eigendom van joden) in privaat of commercieel beheer.
Ook de aangifte van commercieel onroerend goed viel onder deze verordening, zoals dat van het belangrijkste joodse immobiliënkantoor, de Société Immobiliaire Bernheim.

De Groep XII maakte in een rapport de opmerking dat het in kaart brengen van het joods vastgoed moeizaam verliep doordat vele eigenaars intussen het land waren ontvlucht of al waren gedeporteerd.

Niet alle joden die in België verbleven tijdens de bezetting vielen onder de bevoegdheid van de Belgische jodenverordeningen. Het MB maakte namelijk een onderscheid tussen de aangifte van vijandelijk en die van joods vermogen. Joden met een vijandelijke nationaliteit vielen onder de verordeningen met betrekking tot de vijanden. De vijandelijke staten waren het Verenigd Koninkrijk en Noord-Ierland met de overzeese bezittingen, koloniën, protectoraten en mandaatsgebieden, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, de Zuid-Afrikaanse Unie met hun mandaatsgebied, Egypte, Soedan en Irak. Het MB trachtte wel uit de aangifte van vijandelijk vastgoed, het aantal joodse aangiften te bepalen.
Voor de Franse joden waren de jodenverordeningen wel van kracht, evenals voor joden uit Roemenië, Kroatië, Italië, Hongarije en Spanje. Deze landen hadden hun wetgeving aangepast aan de Duitse rassenwetten.
Joden met een neutrale nationaliteit (Zwitsers, Zweden en enkele Zuid-Amerikaanse landen zoals Brazilië) werden voorlopig ongemoeid gelaten, maar werden wel verplicht vóór de aanvang van 1943 België te verlaten. Indien ze in België bleven, zouden ook zij onder de toepassing van de jodenverordeningen vallen.

De ligging van het joods vastgoed centraliseerde zich vooral in twee steden: Brussel en Antwerpen. Brussel telde 1.070 aangegeven onroerende goederen, Antwerpen telde er 1.395 en 379 anderen lagen verspreid over de overige provincies. De waarde van al dat onroerend bezit werd geschat op ongeveer 700 miljoen BEF.
 
 
 
 
1.2. Het beheer
 
 
1.2.1. Algemeen

Nadat aangifte was gedaan van een joods vastgoed konden zowel het MB of verantwoordelijke Feldkommandanturen een Verwalter aanstellen voor het beheer. De organisatie van het beheer van joods onroerend goed zou op termijn worden bepaald door de geografische ligging van het joods vastgoed in België, duidelijk gecentraliseerd in Antwerpen en Brussel.

Op 13 november 1941 meldde het MB in een rondschrijven aan alle Feldkommandaturen (FK) en Oberfeldkommanturen (OFK) dat Wilhelm Offergeld benoemd zou worden tot beheerder van het in België gelegen joods onroerend goed. Zijn benoeming gold echter niet voor de provincie en de stad Antwerpen (zie verder). Ook de onroerende goederen waarvoor al een beheerder was aangesteld - door het MB of door een bevoegd FK - vielen niet onder zijn bevoegdheid.
Offergeld was enkele maanden voordien benoemd tot Verwalter van het gerenommeerd immobiliënkantoor Société Immobilière Bernheim (SIB). Het Militair Bestuur opperde dat Offergeld gebruik zou maken van de faciliteiten van de SIB om de nieuwe dienst operatief te maken. Offergeld nam dan ook zijn intrek in de kantoren van de SIB, gelegen in de Voorzieningsstraat 60 in Brussel.

Het MB vroeg aan de FK en OFK geen nieuwe Verwalters meer aan te stellen voor het beheer van joods vastgoed, maar de dossiers over te dragen aan Offergeld. Reeds bestaande Verwaltungen van joods vastgoed bleven onder het beheer staan van hun respectievelijke Verwalters. Een mogelijke overdracht naar het bureau van Offergeld werd op dat ogenblik niet opportuun geacht.

Vanaf 13 november 1941 zouden ook de bezittingen van joden met een vijandelijke nationaliteit worden overgedragen aan het beheer van Offergeld. De bezittingen van joden met een Britse of neutrale nationaliteit vielen buiten zijn bevoegdheid. De reden hiervoor is ons niet bekend.
 
 
 
 
1.2.2. De situatie in Antwerpen

Voor de stad en provincie Antwerpen werd door het MB geopteerd voor een werkwijze die grondig verschilde van de andere provincies. Er was geen sprake van een centrale administratie. Adolf Hütteman (Duitser), Adolf Voigt (Duitser), Ernest Wauters (Vlaming) en Walter Wäser (Duitser) werden benoemd als Verwalters voor het beheer van de vijandelijke en joodse vermogens. Waarschijnlijk werden zij voor deze taak voorgedragen door de FK 520 Antwerpen. De FK 520 bepaalde welke beheerder de verantwoordelijkheid kreeg voor een welbepaald dossier.
De instructies voor het beheer van joods vastgoed kregen de Verwalters van de Groep XII. De Brüsseler Treuhandgesellschaft voerde op haar beurt, op aanvraag van de Groep XII, controles uit op het beheer van voornoemde Verwalters.

De richtlijnen voor het dagelijks beheer van joods vastgoed stemden in principe overeen met die voor het vijandelijk grondbezit. Aangezien we tot vandaag het archief van de betrokken Verwalters niet hebben gelokaliseerd, kunnen we ons enkel steunen op de uitgevaardigde richtlijnen van 11 november 1941 waarin de rol van de Verwalter wordt beschreven. Deze moest voor elk eigendom een afzonderlijke boekhouding bijhouden waarin de inkomsten, uitgaven en de maandelijkse balans werden genoteerd en werd verder verplicht voor elk vastgoed een geblokkeerde rekening te openen, op naam van de werkelijke eigenaar.

Aan de hand van een verslag van de FK 520 aan de Groep XII kunnen we een overzicht geven van het beheer van joods vastgoed in de provincie en stad Antwerpen. Er werden in totaal 1.397 onroerende goederen beheerd, verdeeld over de vier Verwalters. De verdeling was als volgt:

Adolf Hütteman: 1.026
Adolf Voigt: 151
Ernest Wauters: 169
Walter Wäser: 51

Onder de 1.397 onroerende goederen bevonden zich 472 bezittingen die toebehoorden aan joden met een vijandelijke nationaliteit.

Huurwoningen: 526
Gezinswoningen: 649
Industrieterreinen: 27
Hotels - Winkels: 151
Landbouwbedrijven: 5
Bouwgronden: 16
Andere: 23

De geschatte waarde van het vastgoed dat onder beheer stond:

Hütteman: 238 milj BEF
Voigt: 18 milj BEF
Wauters: 32 milj BEF
Wäser: 4 milj BEF

Op geblokkeerde rekeningen bevonden zich de opbrengsten van het beheer. Op 31 december 1943 was de balans:

Hütteman: 3.234.376,9 BEF
Voigt: 1.179.884,89 BEF
Wauters: 965.030,73 BEF
Wäser: 96.629,80 BEF

Vermoedelijk beschikte elke beheerder over een afzonderlijke bankrekening bij de Continentale Bank of de Banque de Commerce. Daar werden dan de opbrengsten (huurgelden) van het beheer op gestort.
De Verwalters kregen een beheersvergoeding van 7% toegewezen.

Uit het rapport blijkt duidelijk dat het merendeel van de woningen die beheerd werden door de Antwerpse Verwalters zich in slechte staat bevonden. Een niet onbelangrijk aantal van deze woningen werd bewoond door joden. De deportatie van de joden vanaf 1942 had tot gevolg dat deze woningen leeg kwamen te staan en dat de vier Antwerpse Verwalters hun inkomsten zagen verminderen omdat de betaling van de huur werd onderbroken. Bovendien werden de achtergelaten woningen op hun beurt door het Ostministerium in het kader van de Möbelaktion ontruimd.
Hütteman en Voigt stelden daarom aan het stadsbestuur van Antwerpen voor een deel van deze leegstaande woningen ter beschikking te stellen van mensen die hun huizen op bevel van FK 520 hadden moeten verlaten. Het voorstel eiste wel dat het stadbestuur de verantwoordelijkheid en de kosten zou dragen om deze huizen terug bewoonbaar te maken en verder te verhuren. Het stadsbestuur besloot op het aanbod in te gaan en zou 15 van deze woningen opknappen en opnieuw verhuren.

Ernest Wauters beheerde woningen die hoofdzakelijk waren verhuurd aan joden. Dat betekende dat hij vanaf augustus 1942 zijn inkomsten zag verminderen, daar de jodendeportatie toen in volle gang was. Wauters ontwikkelde daarop het idee om de reeds geïnde huuropbrengsten die toebehoorden aan joden van wie de vermogens aan het Duitse Rijk vervielen, aan te wenden om woningen te laten herstellen en opnieuw te verhuren. Een voorstel dat in dezelfde lijn lag als dat van de twee andere Antwerpse Verwalters.
De herstelde woningen werden voornamelijk verhuurd aan mensen wiens huizen door de bombardementen waren beschadigd, soldatenvrouwen en geëvacueerde Belgen.
 
 
 
 
1.2.3. De situatie in Brussel en de overige provincies: Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien

De Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien werd door de economische afdeling van het Militair Bestuur opgericht om het joods vastgoed in België, met uitzondering van de stad en provincie Antwerpen, te beheren. Dr. Wilhelm Offergeld was benoemd als beheerder van deze nieuwe administratie (zie eerder), maar werd midden 1942 door de Duitser Ernst Robert Müller vervangen.

Aan de hand van een rapport dat werd opgemaakt door deze Müller, kunnen we de omvang en de opbrengsten van het beheer tijdens de bezetting bepalen. Begin 1944 zou de Verwaltung 1.456 onroerende goederen, verspreid over heel België, beheren. Het merendeel darvan bevond zich in Brussel waar zo'n 1.079 joodse onroerende goederen door Müller werden beheerd. In Brabant met uitzondering van Brussel ging het om 55 onroerende goederen en in de overige provincies om 322 bezittingen.

De verdeling voor Brussel was als volgt:

Huurwoningen: 224
Privé woningen: 486
Handelspanden: 196
Appartementen: 103
Fabrieksgebouwen: 31
Braakliggend land: 57

Voor de provincie Brabant:

Huurwoningen: 2
Privé woningen: 34
Handelspand: 1
Braakliggend land: 18

Men schatte de waarde van de aangegeven onroerende goederen voor Brussel en de provincie Brabant op 300 miljoen BEF. Hierop rustte een globale hypotheek van 230 miljoen BEF.

Voor de andere provincies ging het om een totaalwaarde van 50 miljoen BEF, met een bijhorende hypotheek van 11 miljoen BEF.

De waarde van de afgesloten brandverzekeringen op al deze onroerende goederen bedroeg 450 miljoen BEF.

Müller sloot het jaar 1943 af met een huuropbrengst van meer dan 14 miljoen BEF (14.751.178,98 BEF).

De geïnde beheerskosten voor de 1.456 onroerende goederen overschreed 1 miljoen BEF (1.350.512,76 BEF.)

De Verwalters waren gebonden aan een aantal richtlijnen, opgesteld door het MB (zie eerder). De vraag stelt zich evenwel of ook Müller zich aan deze voorwaarden moest houden. Door het ontbreken van het archief van hun beheer, bestaat daarover nog steeds onduidelijkheid.
Wat wel vrij zeker lijkt, is dat Müller voor elk bezit afzonderlijk een boekhouding bijhield, maar dat afzonderlijk geblokkeerde rekeningen op naam van de eigenaars niet bestonden. De Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes zelf bleek slechts over één bankrekening te beschikken (Continentale Bank, nr.2.815), waarop de gezamelijke opbrengsten van beheer werden gestort.

In zijn verslag aan de Groep XII meldde Müller dat vanaf januari 1944 de bankrekening van zijn Verwaltung zou worden opgesplitst in een lopende rekening, een rekening met daarop 6% van de geïnde beheerskosten en een rekening waarop 4% van de geïnde beheerskosten terecht zou komen.

Het banksaldo van de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien bedroeg op 31 december 1943 bijna 7 miljoen BEF (6.788.446,89 BEF).
 
 
 
 
2. Verkoop van onroerend goed
 
 
2.1. Instructies van het Militair Bestuur
 
 
2.1.1. Algemeen

De "vrijwillige" verkoop van joods vastgoed werd aangemoedigd door het Militair Bestuur in het kader van de arianisering. Indien niet-vijandelijke joden tot de "vrijwillige" verkoop van hun vastgoed wilden overgaan, werd de vereiste toelating daarom vrij snel verleend. De toelating van het MB was steeds vereist bij dergelijke verkoopstransacties, al werd deze bevoegdheid meestal overgedragen aan de plaatselijke FK of OFK.

Indien de opbrengst van de verkoop meer dan 20.000 BEF bedroeg, moest het bedrag worden gestort op een geblokkeerde rekening bij de Banque de Commerce of de Banque de Paris et des Pays-Bas.
De situatie is vergelijkbaar met de "vrijwillige" ontjoodsing van ondernemingen.

Wanneer de verkoop van een onroerend goed 250.000 BEF overschreed, werd de Groep XII bij de procedure betrokken. Ook bij de verkoop aan echtgenoten, naaste familie of bij eventuele juridische problemen was de tussenkomst van de Groep XII vereist. Bij de verkoop van de eigendom van een politieke persoonlijkheid werd de Groep XII eveneens om advies gevraagd.
 
 
 
 
2.1.2 Procedure

Het MB stippelde een procedure uit voor de aanvraag van verkoop van een joods onroerend goed waarvoor voortaan een vergunning vereist was. De bevoegdheid hiervoor lag bij de FK of OFK waar het desbetreffend bezit gelegen was. Telkens een vergunning werd verleend, moest dit aan de Groep XII worden meegedeeld.

Op 7 maart 1941 deelde het MB in een rondschrijven aan de Federatie der Notarissen van België mee dat het beschikkingsrecht over joods vastgoed afhankelijk was van een vergunning. De notaris was namelijk de enige die de aanvraag voor een verkoop, opgesteld op een officieel aanvraagformulier, kon indienen. Voor de aanvraag van een vergunning voor een "gedwongen" verkoop was nog een ander, speciaal daartoe bestemd formulier vereist.
Deze aanvraagformulieren konden bekomen worden bij de Dienst voor Aangifte Joodse Goederen in Brussel.

Op 15 november 1941 bracht het MB enige wijzigingen aan in de procedure. De aanvraag voor het bekomen van een vergunning kon voortaan rechtstreeks worden ingediend bij de bevoegde FK of OFK (waar het te verkopen onroerend goed gelegen was) in plaats van via de Dienst voor Aangifte Joodse Goederen.

De opbrengst afkomstig van een vrijwillige of gedwongen verkoop of erfverdeling van een vijandelijk joods vastgoed werd verplicht gedeponeerd op een geblokkeerde rekening, bij de Banque de Commerce in Antwerpen of bij de Banque de Paris et des Pays-Pays, op naam van de begunstigde. De eventuele verkoopskosten, zoals belastingen of hypotheekbetalingen, waren vrijgesteld van verplichte deponering. De Groep XII oefende controle uit over deze rekeningen. De eigenlijke titularis kon slechts over zijn geld beschikken mits toestemming van de Groep XII. We vonden geen aanwijzingen dat deze geblokkeerde rekeningen na verloop van tijd getransfereerd werden naar de Société Française de Banque et de Dépôts.

De geblokkeerde rekeningen van niet-vijandelijke joden en staatloze joden daarentegen werden na verloop van tijd, op vraag van de Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG), wel getransfereerd naar de Société Française de Banque et de Dépôts waar ze terechtkwamen op een subrekening van de BTG.
 
 
 
 
2.2 De verkoop
 
 
2.2.1. Algemeen

De belangrijkste vraag met betrekking tot de verkoop van joods vastgoed blijft of het Militair Bestuur, via Müller of via de andere aangestelde beheerders, stappen ondernam om joods vastgoed voor eigen rekening te verkopen, zonder tussenkomst van de rechtmatige eigenaar. Zeker is alvast dat het MB verschillende scenario's heeft uitgestippeld om op grote schaal joods vastgoed te verkopen..

Het Belgische gerecht trachtte op zijn beurt de verkoop van onroerend goed te ontmoedigen. Vanaf 1942 verbood de Procureur des Konings Belgische notarissen om verkoopakten te homologeren. Als tegenzet vaardigde de bezetter de verordening van 21 december 1943 uit, waardoor Duitse notarissen verkoopakten in België konden bekrachtigen. Deze procedure zorgde echter voor heel wat vertraging en werd door eventuele kopers als onbetrouwbaar beschouwd.
Het MB ondernam daarop een poging om het joods vastgoed ver beneden haar marktwaarde te verkopen (stopprijzen), en de winst op geblokkeerde rekeningen te plaatsen. Dat voorstel leek voor het MB de meest aangewezen procedure. Maar op welke schaal dit plan werd uitgevoerd, is vooralsnog niet duidelijk.

Indien de door het MB opgestelde procedure gevolgd werd, is dit zeker af te leiden uit de toegekende vergunningen. Een steekproef moest het verloop van de verkoop van joodse eigendommen tijdens de bezetting in kaart brengen.
Het exact bepalen van het aantal verkochte joodse eigendommen werd enigszins bemoeilijkt doordat er slechts beperkte informatie voorhanden is. Het archief van de BTG bevatte ooit documentatie met betrekking tot de verkoop van joods vastgoed in België, maar deze stukken zijn niet meer beschikbaar. We konden ons daarom enkel baseren op een andere belangrijke bron, namelijk de uitgereikte vergunningen die de OFK en FK overhandigden aan notarissen of advocaten die een aanvraag hadden ingediend voor de verkoop van joods vastgoed. De betrokken OFK en FK werden verplicht een duplicaat van deze vergunningen door te sturen naar de Groep XII. Het zijn deze dubbels die we gedeeltelijk terugvonden in het archief van het BTG.

Zoals eerder vermeld was de ligging van joods vastgoed duidelijk gecentraliseerd in Antwerpen en Brussel. Het ligt dan ook voor de hand dat de verkoop van joods vastgoed zich daar afspeelde. Voor Antwerpen was het FK 520 Antwerpen verantwoordelijk voor het uitreiken van bovenvermelde vergunningen. In Brussel was het OFK 672 Brussel daarvoor verantwoordelijk. Het merendeel van de aanvragen werden ingediend door notarissen of advocaten op vraag van de eigenaars of eventuele schuldeisers. In vele gevallen verbleef de rechtmatige eigenaar in het buitenland.
 
 
 
 
2.2.2. Antwerpen

Met betrekking tot de uitgereikte vergunningen in Antwerpen vonden we in het archief van de BTG ongeveer 52 dossiers terug in verband met joods vastgoed. Hieronder bevonden zich 34 aanvragen voor het verkopen van onroerend goed. In 20 gevallen ging het om een aanvraag voor "gedwongen" verkoop wegens achterstallige betaling van hypotheekschulden.
Bij een "gedwongen" verkoop was de aanvraag meestal afkomstig van eventuele schuldeisers die via de Rechtbank van Eerste Aanleg een vonnis uitlokten voor inbeslagname. De eigenaar was in vele gevallen het land ontvlucht; daarom werd door de Rechtbank een voorlopig beheerder aangesteld die de belangen van de eigenaar moest behartigen. Het product van de verkoop werd aangewend om schuldeisers te vergoeden. Het resterende bedrag kwam terecht op een geblokkeerde rekening.

In slechts acht van de 52 dossiers vonden we het product van de verkoop terug op een sub-rekening van de Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG) bij de Société Française de Banque et de Dépôts (SFBD). Bij vijf gevallen ging het om een gedwongen verkoop, de drie overige betroffen om een vrijwillige verkoop. De uiteindelijke opbrengst van de verkoop, na betaling van eventuele schuldeisers en andere onkosten, werd door de betrokken notaris gestort op een geblokkeerde rekening van de Banque de Commerce of de Banque de Paris et des Pays-Bas. Daarna kreeg de betrokken bank het bevel van de BTG om de geblokkeerde rekening te transferen naar een sub-rekening bij de SFBD. In bovenvermelde gevallen hadden de eigenaars de Poolse of Belgische nationaliteit. In de mate van het mogelijke werd getracht de nationaliteit van de overige gevallen te controleren. Vielen ze misschien onder de vijandelijke verordeningen en werd het product van de verkoop daarom niet getransfereerd naar de SFBD? Toch bestaat een sterk vermoeden dat de meeste aanvragen voor verkoop afkomstig waren van Poolse of genaturaliseerde joden. Verder onderzoek kan ons hierover uitsluitsel geven.

Bij één geval werd de aanvraag voor een vergunning ingediend door de betrokken beheerder Adolf Hütteman. De koper was de echtgenote van Adolf Voigt, eveneens beheerder van joods vastgoed in Antwerpen. Hütteman stortte de opbrengst van de verkoop op een geblokkeerde rekening bij de Continentale Bank, die op haar beurt de rekening transfereerde naar de SFBD.

Een rapport opgesteld door het FK 520 Antwerpen gericht aan de Groep XII en gebaseerd op gegevens die werden doorgegeven door de vier verantwoordelijke beheerders meldde dat in 1943 49 joodse aanvragen werden ingediend en goedgekeurd. In 32 gevallen vielen de aanvragen onder de verordening op de vijandelijke goederen.
De reeds geliquideerde eigendommen hadden gezamenlijk 2.499.012 BEF opgebracht, het ging om 15 afgesloten verkopen. Van dit bedrag zou uiteindelijk 658.650 BEF op geblokkeerde rekeningen zijn terechtgekomen. De FK maakt de opmerking dat de opbrengsten uit de verkoop van onroerend goed meestal gering waren omdat de opbrengst naar de schuldeisers ging en het eventuele overschot werd afgedragen aan de belastingen. We vonden geen verdere verwijzingen over dit rapport in het archief van de BTG. Er werd evenmin melding gemaakt van de identiteit van de eigenaars van de reeds verkochte eigendommen, dus konden we ook onmogelijk het product van de verkoop opsporen.
 
 
 
 
2.2.3. Brussel en de overige provincies

Moeilijker was het bepalen van het aantal verkochte eigendommen in Brussel. Hier ontbraken grotendeels de dossiers in verband met de uitgereikte vergunningen door het OFK 672 Brussel. Deze vergunningen werden alfabetisch gerangschikt en enkel de dossiers M t.e.m. Z werden teruggevonden.

We vonden 46 dossiers in verband met joods vastgoed terug, waaronder ongeveer 31 aanvragen voor de verkoop van joods onroerend goed. Daarvan werden 16 aanvragen door Müller ingediend. Op basis van die 46 dossiers vonden we 19 SFBD-rekeningen. Slechts 2 rekeningen verwezen naar de verkoop van een onroerend goed: een vrijwillige verkoop en een liquidatie van een nalatenschap.

Voor de provincie Henegouwen telden we 9 dossiers in verband met joods vastgoed. Daaronder slechts twee aanvragen voor de verkoop van onroerend goed, waaronder een vrijwillige verkoop. Na de bevrijding werd dan ook geen aanvraag ingediend voor de annulatie van de verkoop. Het tweede dossier had betrekking op de verkoop van vastgoed dat deel uitmaakte van een erfenisverdeling.

Voor de provincie Oost-Vlaanderen vonden we bij het OFK 570 Gent vijf dossiers terug in verband met joods onroerend goed. Slechts één dossier had betrekking op de gedwongen verkoop van een joods eigendom. De rechtmatige eigenaar was afwezig.

In zijn rapport van 1943, gericht aan de Groep XII, meldde Müller dat hij dat jaar 60 joodse eigendommen had verkocht. Hij gaf geen verdere informatie over de herkomst van de eigendommen of waar ze gelegen waren, noch over de opbrengst van de verkoop.

In mei 1944 wenste Müller een zestigtal verkopen notarieel te bekrachtigen. Müller had een mondeling akkoord met de geïnteresseerde kopers, enkel de bekrachtiging van de verkoopakten ontbrak.
 
 
 
 
2.3. Besluit

Wat de verkoop van joods vastgoed tijdens de bezetting betreft kon het volgende worden vastgesteld. Indien het product van de verkoop terechtkwam op een geblokkeerde SFBD - rekening was de situatie duidelijk. Na de bevrijding werd door de Dienst van het Sekwester aan de oorspronkelijke eigenaar of zijn rechthebbende de vraag gesteld of hij de verkoop wenste te annuleren. Indien de rechtmatige eigenaar of zijn rechthebbende hiervan afzag kon hij aanspraak maken op het product van de verkoop. De Dienst van het Sekwester stortte het product van de verkoop, op vraag van de titularis, terug naar de bank van oorsprong. Het onroerend goed of het product van de verkoop keerde hier terug naar de oorspronkelijke eigenaar of rechthebbende.

Wat als de opbrengst van de verkoop van joods vastgoed niet terechtkwam op een geblokkeerde rekening bij de SFBD? De resultaten van steekproef naar de verkoop van joods vastgoed tijdens de bezetting sluiten de mogelijkheid hiervan niet uit en dwingen ons er misschien toe om een nieuwe onderzoekspiste te volgen, mogelijk naar de banken toe.
 
 
 
 
3. De situatie na de bevrijding: de vereffening van de Verwaltungen in Antwerpen en Brussel
 
 
3.1. De vereffening van de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien
 
 
3.1.1. Inleiding

Op 8 januari 1945 werden Thomas Magnus, advocaat, en Aimé Hopchet, hoofdinspecteur (later directeur) bij de Dienst Registratie en Domeinen, door de Dienst van het Sekwester benoemd als mandatarissen voor de vereffening van de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien en de Verwaltung Nicolay. Deze laatste was de voormalige Duitse beheerder voor vijandelijke vermogens. Hopchet en Magnus kregen deze taak toevertrouwd omdat ze reeds werkzaam waren als mandatarissen bij de Dienst van het Sekwester voor het beheer van de Continentale Bank, de Hansa Bank en de West Bank. Het feit dat bovenvermelde banken ook de fondsen van beide Verwaltungen beheerden, speelde mee in hun benoeming. De dienst van Hopchet en Magnus was gevestigd in de Koningsstraat 72a in Brussel, waar zich ook de zetel van de Société Française de Banque et de Dépôts bevond.

Vanaf 1 juni 1946 zou Hopchet alleen de verantwoordelijkheid voor bovenvermelde sekwesters dragen. Een maand later nam hij opnieuw zijn oude functie op als inspecteur bij de Dienst Registratie en Domeinen en vervulde hij zijn werkzaamheden voor het Sekwester buiten de diensturen.

We zullen trachten het verloop van de opheffing van de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien te volgen aan de hand van Hopchets' verslagen voor de Dienst van het Sekwester. Hierin bracht hij verslag uit over het verloop van de vereffening. Het eerste verslag dateert van 31 december 1948 en het laatste werd ingediend op 31 december 1954.
Hopchet legde zijn mandaat neer op 31 december 1954.
 
 
 
 
3.1.2. De situatie in 1945

De vereffening van de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien stelde de Dienst van het Sekwester voor een juridisch probleem. Zoals eerder vermeld, was de Verwaltung verantwoordelijk voor het beheer van joods vastgoed in België, met uitzondering van Antwerpen (zie 1.2.3). Hopchet en Magnus werden niet alleen geconfronteerd met het product van dat beheer, maar ook met ongeveer 1.600 onroerende goederen waarvan de eigenaars na de bevrijding nog niet naar België waren teruggekeerd en die dus voorlopig onbeheerd bleven.

De Raad van Bestuur van de Dienst van het Sekwester besliste op 15 februari 1945 juridisch advies in te winnen bij drie prominente juristen in verband met de verantwoordelijkheid van het Sekwester ten opzichte van deze achtergelaten eigendommen en de opbrengsten van het Duitse beheer.

Het belangrijkste knelpunt was de bepaling van de bevoegdheden van dit sekwester. Hopchet was zich er van bewust dat het sekwester enkel bevoegd was voor de vijandelijke goederen, in dit geval het persoonlijk vermogen van de Verwaltung en niet voor de "niet-vijandelijke" die de Verwaltung tijdens de bezetting had beheerd, noch voor het product van dat beheer. Elke aanspraak die de Verwaltung tijdens de oorlogsjaren had uitgeoefend op deze goederen was onmiddellijk na de bevrijding vervallen en de oorspronkelijke eigenaar kon zijn eigendom meteen terug in bezit nemen.

Het merendeel van de eigenaars was echter nog niet in België aanwezig. Daarom vroeg Hopchet of hij zich kon beroepen op artikel 1373 van het Burgerlijk Wetboek om het beheer van de achtergelaten onroerende goederen te blijven verzekeren tot de oorspronkelijke eigenaars terug in België waren. De mandataris wilde weten of zijn dienst in dat geval het recht had om 5% beheerskosten aan te rekenen.

In de formulering van haar standpunt aan de drie juristen maakte de Dienst van het Sekwester gewag van een eventuele morele plicht ten aanzien van de afwezige eigenaars en uitte de wens een procedure op te starten om voorlopige beheerders aan te stellen die de belangen van de afwezige eigenaars veilig kon stellen. Hopchet en Magnus stelden voor om die procedure via de Procureur des Konings te laten verlopen, waarbij de Rechtbank van Eerste Aanleg voorlopige beheerders aanstelde voor het verdere beheer van eventueel achtergelaten of verlaten eigendommen.

Het uiteindelijke advies van meesters Marcq, Marx en Hermans liet geen twijfel bestaan over de rol van het Sekwester. Er werd duidelijk gestipuleerd dat het Sekwester geen wettelijke noch juridische bevoegdheden had over deze "niet vijandelijke" goederen. Het Sekwester moest deze onroerende goederen én het product van het Duits beheer onmiddellijk aan de oorspronkelijke eigenaars overdragen, zonder dat deze enige formaliteiten moesten vervullen.

De drie juristen oordeelden dat de taak van het Sekwester zich beperkte tot het signaleren aan de niet-vijandelijke eigenaars dat er goederen en kredieten opgenomen waren in een vijandelijk patrimonium, zijnde de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien. Indien de eigenaar van een onroerend goed zich niet kwam aanmelden, dan kon de Dienst van het Sekwester het eigendom overdragen aan een persoon die de belangen van de eigenaar, in afwachting van zijn terugkeer, waarnam. Maar de juristen benadrukten nogmaals dat het Sekwester hiertoe niet verplicht werd. De meest voor de handliggende procedure hiervoor was een voorlopig beheerder aan te stellen via de Rechtbank van Eerste Aanleg. De Dienst van het Sekwester kon daartoe een aanvraag indienen bij de Procureur des Konings.

Hopchet en Magnus verklaarden zich grotendeels akkoord met dit juridisch advies. Wel tekenden beiden bezwaar aan tegen het onbeheerd laten van achtergelaten onroerende goederen. Beiden waren ervan overtuigd dat het slechts ging om een tijdelijk probleem en dat de oorspronkelijke eigenaars of hun erfgenamen op korte termijn hun goederen terug zouden opeisen.

Hun voorspelling kwam grotendeels uit. In augustus 1945 bevonden zich nog slechts een veertigtal eigendommen onder hun beheer. Telkens een eigenaar of een gevolmachtigde een eigendom kwam opeisen, restitueerden Hopchet en Magnus het desbetreffende eigendom; de betrokken persoon diende daarbij de Dienst van het Sekwester te ontslaan van iedere verantwoordelijkheid en beloofde geen verdere juridische stappen te ondernemen tegen de vorige bewoners. Voor de overblijvende onroerende goederen had Hopchet tegen die tijd contact opgenomen met de Procureur des Konings om voorlopige beheerders te laten aanstellen. Voor de overige provincies werd eveneens met betrokken parketten contact opgenomen.
 
 
 
 
3.1.3 De situatie in 1946 - 1947

De Raad van Bestuur van het Sekwester bevestigde op 28 november 1946 haar beslissing om een dividend van 50% te verdelen onder de schuldeisers van de Contintentale Bank. Daartoe behoorde ook de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes. De Raad besloot Hopchet over de nodige fondsen te laten beschikken om de schuldeisers van de Verwaltung uit te betalen.

Hopchet formuleerde enkele voorstellen voor de opheffing van de Verwaltung. Hij benadrukte dat de Verwaltung beschikte over een globale rekening, geopend door Müller bij de Continentale Bank. Hierop werden huuropbrengsten gestort afkomstig van het beheer door Müller van de onroerende goederen. De globale rekening gaf geen indicatie van de herkomst van het geld. Het was Müller die voor elk eigendom een afzonderlijke boekhouding bijhield. Hopchet werd verplicht om elke rechthebbende, die aanspraak kon maken op een deel van het product van de globale rekening, te identificeren aan de hand van de afzonderlijke boekhouding van Müller. Müller liet 1.295 dossiers achter voor de 1.332 gebouwen gelegen in Brussel en Brabant en de 371 eigendommen gelegen in de overige provincies. Met behulp van de aanwezige dossiers wist Hopchet 484 joodse eigenaars te identificeren die samen aanspraak konden maken op een bedrag van 10.199.880,30 BEF. Het globale saldo van de Verwaltung bij de Continentale Bank bedroeg bij de bevrijding 10.272.992,31 BEF.

Bij de Continentale Bank beheerde Müller nog een andere rekening: de Sammelkonto für Grundstuckverkauf. Deze rekening vermeldt telkens de naam van de rechthebbende wiens eigendom was verkocht. Was dit de rekening waarop de opbrengsten van de verkoop van vastgoed werden gestort? Dat blijft voorlopig onbeantwoord omdat de archieven van de Continentale Bank nog niet zijn gelokaliseerd.

De Continentale Bank beschikte niet over voldoende fondsen om de tegoeden van de Verwaltung in één keer vrij te geven. Daarom besloot de Dienst van het Sekwester om het bedrag verspreid in drie schijven uit te betalen. Hopchet beschikte over 6.677.445 BEF om de schuldeisers van de Verwaltung te vergoeden. Op 31 januari 1947 werd door de Continentale Bank een eerste schijf uitgekeerd van 45%, goed voor 4.622.846,55 BEF. Een tweede schijf van 10% (1.027.299,25 BEF) werd gestort op 31 mei 1948. De derde en laatste schijf van 10% (1.027.299,25 BEF) werd betaald op 30 april 1950. Waarom Hopchet niet over het totale bedrag beschikte, is onduidelijk. Hierdoor kreeg iedere titularis slechts 65% van het aan hem verschuldigde bedrag uitbetaald.

Het is niet duidelijk of op dit totaalbedrag alle fiscale bijdragen werden afgehouden zoals bijvoorbeeld de belasting op het kapitaal . In welke mate werd hier de geldsanering toegepast? Tot we het archief van Hopchet en de Continentale Bank vinden blijven deze vragen onbeantwoord. Er zijn ook aanwijzingen dat de Continentale Bank bij andere Duitse banken, onder andere bij de West Bank, een rekening had geopend op naam van de Verwaltung.

Intussen had de Dienst van het Sekwester een persbericht laten verspreiden, met de oproep dat mensen wiens eigendommen tijdens de bezetting beheerd werden door de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien of door de Verwaltung van Rudolf Nicolay, zich moesten aanmelden bij de verantwoordelijke mandataris van deze voormalige Duitse administraties.
 
 
 
 
3.1.4. De situatie van 1949 tot 1954

Het in kaart brengen van het verloop van de vereffening was niet eenvoudig. Enerzijds was Hopchet in zijn verslagen aan de Dienst van het Sekwester soms erg kort van stof. Anderzijds was er het probleem dat de schuldeisers hun tegoed niet in één keer gerestitueerd kregen . De titularissen kregen slechts een beperkt percentage van de verschuldigde bedragen uitbetaald, zonder dat dit op een eenvormige manier gebeurde. Elke zes maanden, vanaf december 1948, bracht Hopchet een rapport uit over de vereffening van de voormalige Verwaltung. Telkens gaf hij de oorspronkelijke situatie van na de bevrijding weer, waarna hij kort de stand van zaken verklaarde. Telkens werd voor de besproken periode het actief en passief van de administratie meegedeeld.

De taak van Hopchet beperkte zich niet alleen tot het identificeren van de schuldeisers, maar ook van de schuldenaars van de Verwaltung. Er bestonden 554 rekeningen met een negatief saldo, samen waren zij de Verwaltung 730.635 BEF schuldig. De recuperatie van dit bedrag gebeurde zeer moeizaam. Hopchet beschouwde op het einde van zijn mandaat deze opdracht als mislukt; hij slaagde erin 91.720 BEF (42 rekeningen) te innen.

Hopchet beheerde in 1948 nog steeds een tiental eigendommen, waarvoor hij ook de huuropbrengsten inde. De wijze waarop hij dit beheer waarnam roept verschillende vragen op. De opbrengsten van het beheer zouden door Hopchet op twee nieuwe rekeningen - op naam van de afwezige eigenaar - bij de Société Française de Banque et de Dépôts gestort zijn, met de referentie "Israélites Absents". Beide rekeningen waren postcheque-rekeningen: "compte cheque nr 10.012" en "Israélites absents compte numéro 683.85". Het is voorlopig niet duidelijk voor welke doeleinden beide rekeningen afzonderlijk gebruikt werden.

Sinds de bevrijding waren de huuropbrengsten ten voordele van de afwezige eigenaars opgelopen tot 2.575.518 BEF. Daarvan werd door Hopchet in 1948 reeds 1.764.433 BEF teruggestort aan teruggekeerde eigenaars of hun mandatarissen. Ook hier werd elke titularis of mandataris verplicht een document te ondertekenen dat het Sekwester van iedere verantwoordelijkheid ontsloeg wat het naoorlogse beheer betrof. De betrokken eigenaar of mandataris beloofde bovendien geen juridische stappen te ondernemen tegenover voormalige huurders, die hun eigendom huurden tijdens de bezetting.

In april 1950 stelde de Dienst van het Sekwester vast dat de administratie Hopchet nog steeds over 223 openstaande rekeningen beschikte waarvoor nauwelijks een dividend was uitbetaald. Hopchet verklaarde dat niet alle schuldeisers akkoord gingen met de door het Sekwester voorgestelde procedure om geen verdere juridische stappen te ondernemen. Die eigenaars verkozen een schadevergoeding te eisen van de huurders die tijdens de bezetting hun eigendom bewoonden. Wanneer dit het geval was, keerde Hopchet geen dividend uit. Zolang over deze schuldvorderingen geen vonnis was uitgesproken, bleef de rekening onder beheer van Hopchet. Er waren ook rekeninghouders die - om nog onduidelijke redenen - onderhandelden met het Ministerie van Financiën en in afwachting van een akkoord hun geld niet wensten te ontvangen. Voor het eerst maakte Hopchet ook de opmerking dat sommige rekeninghouders waarschijnlijk tijdens de oorlog waren omgekomen. Deze rekeningen bleven onder beheer van de administratie, in afwachting van eventuele erfgenamen die over de nodige documenten beschikten om de rekening op te eisen. Er waren ook rekeningen waarvan de eigenaar als vermist stond opgegeven en de erfgenamen onbekend bleven, ondanks de inspanningen van de Dienst van het Sekwester om hen op het spoor te komen.

In datzelfde jaar, 1950, bracht de mandataris van het sekwester op de Brüsseler Treuhandgesellschaft (BTG) Hopchet op de hoogte van het bestaan van rekeningen bij de Société française de Banque et de Dépôts (SFBD), afkomstig van de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien. Deze rekeningen werden door Müller in 1944, op bevel van de BTG, naar de SFBD overgeschreven. Müller had destijds van het Militair Bestuur het bevel gekregen de tegoeden van voormalige Duitse, Poolse en Tsjechische joden over te dragen aan de BTG. Daarop werden een tiental rekeningen naar de SFBD getransfereerd. De mandataris van het sekwester van de BTG, Alfred Pranger, stelde voor deze rekeningen te storten op het rekeningnummer van de administratie van Hopchet.

Op 31 december 1951 had Hopchet 304 (4.847.171,17 BEF) van de oorspronkelijke 484 rekeningen vereffend. Er bleven 180 rekeningen open staan, ter waarde van bijna 2 miljoen BEF (1.870.273,88 BEF), waarvoor slechts een dividend van 10% of helemaal niets was gerestitueerd. De uitbetaling van deze rekeningen werd voorlopig stopgezet naar aanleiding van artikel 26 van de wet van 14 juli 1951. Het ging vooral om rekeninghouders met een vreemde nationaliteit (Polen, Fransen, Nederlanders en Amerikanen). Pas op 28 maart 1952 besloot de Raad van Bestuur dat de schuldeisers van de Verwaltung zonder onderscheid van nationaliteit moesten worden uitbetaald.

Het rapport over de situatie van de vereffening op 31 december 1952 werd door Hopchet later dan voorzien ingediend. Hopchet werkte namelijk mee aan de voorbereidingen voor de vereffening van de Emissiebank. Bovendien was zijn administratie inmiddels verhuisd naar de Voorlopige Bewindstraat 5 in Brussel. Dat leidde ertoe dat zijn werkzaamheden voor het Sekwester wat vertraging opliepen. Op 31 december 1952 waren 48 rekeningen voor 55% uitbetaald, hier moest dus nog een schijf van 10% worden uitgekeerd. Het aantal rekeningen die voor de volle 65% vereffend waren, bedroeg 264. Er bleven nog 172 rekeningen over waarvan de volledige 65% nog moest worden vergoed.

Op 12 mei 1953 verzocht de Dienst van het Sekwester Hopchet een voorstel in te dienen om de definitieve vereffening van zijn administratie voor te bereiden.
In zijn rapport van 24 september 1953 werkte Hopchet hiertoe enkele concrete voorstellen uit. Hij besloot de titularissen die tot dan toe nog niet hadden gereageerd, schriftelijk te contacteren. Indien de betrokken titularissen niet binnen de opgelegde termijn reageerden, zou Hopchet deze rekeningen overdragen aan de Deposito- en Consignatiekas. Deze procedure zou niet worden toegepast voor de 38 rekeninghouders wiens balans minder dan of 500 BEF bedroeg. Deze rekeningen werden onmiddellijk getransfereerd naar de Deposito- en Consignatiekas. De rekeningen onder de 100 BEF wenst hij in het geheel niet meer uit te betalen maar ze in de boekhouding in te schrijven als algemene kosten.

De Raad van Bestuur verklaarde zich tijdens haar vergadering van 29 september 1953 akkoord met deze voorstellen. De Raad uitte tijdens diezelfde vergadering de wens om de tegoeden bij de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien toebehorend aan Duitse schuldeisers over te dragen aan de Dienst van het Sekwester. De nog aan andere schuldeisers verschuldigde sommen moesten gestort worden bij de banken waaraan de eerste dividenden werden overgemaakt. De Raad van Bestuur gaf ook de opdracht om de rekeningen van de Hansa Bank - het resultaat van overschrijvingen gedaan tijdens de bezetting in opdracht van de Brüsseler Treuhandgesellschaft- onmiddellijk over te schrijven naar de Deposito- en Consignatiekas. Er bestonden ook rekeningen van de Verwaltung, overschreven door Müller op vraag van de BTG, bij de Hansa Bank. De oorsprong van deze rekeningen lag bij de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien, het waren joodse rekeningen met daarop - door Müller- geïnde huuropbrengsten. Deze rekeningen werden pas op 2 juni 1956 overgeschreven naar de Deposito- en Consignatiekas. Het ging om 25 rekeningen die oorspronkelijk- tijdens de bezetting - door de Brüsseler Treuhandgesellschaft werden getransfereerd naar de Hansa Bank.

De Dienst van het Sekwester gaf aan Hopchet de opdracht om 51 rekeningen (79.957,30 BEF) van de voormalige Verwaltung naar de Deposito- en Consignatiekas te storten. Om welke rekeningen het juist ging en de reden van de overschrijving werden niet gespecifieerd. Verder werden 7 rekeningen ten bedrage van 399 BEF ingeschreven in de boekhouding als vaste kosten.

Op 31 december 1953 zag de situatie er als volgt uit: er restten nog 9 rekeningen waarvan nog 10% moest worden uitgekeerd, 2 rekeningen die nog 20% moesten terugkrijgen en 106 rekeningen die het volledige bedrag nog tegoed hadden. Hopchet had nog steeds 5 gebouwen onder zijn beheer staan.

Wanneer Hopchet op 30 juni 1954 verslag uitbracht over de stand van de vereffening was er een duidelijke kentering waar te nemen. Slechts 33 rekeningen, ter waarde van 141.356 BEF, dienden nog door Hopchet te worden vereffend. Daarvan moesten 29 rekeningen nog voor de volledige 65% worden uitgekeerd.

Op 23 december 1954 diende Hopchet zijn laatste rapport in bij de Dienst van het Sekwester. Er bleef één rekening over van de voormalige Verwaltung, waarvoor geen enkel dividend was uitgekeerd en twee rekeningen die door Hopchet werden geopend voor het naoorlogse beheer van joods vastgoed. Bij de aanvang van Hopchet's mandaat bedroeg het aantal onroerende goederen onder zijn beheer 73. De uiteindelijke opbrengst van het naoorlogse beheer bedroeg meer dan 4 miljoen BEF (4.100.960,09 BEF), de aangerekende beheerskosten hierop bedroegen 347.006 BEF. Slechts twee onroerende goederen stonden nog steeds onder het beheer van het Sekwester. Voor één eigendom, waarvoor geen erfgenamen naar voren waren getreden, stelde Hopchet voor het beheer hiervan over te dragen aan de ontvanger van Registratie en Domeinen.

Hopchet wees op er dat de kosten van het sekwester op de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien opliepen tot meer dan 1 miljoen BEF (1.024.385,45 BEF). Daarvan ging een groot gedeelte, namelijk 771.339 BEF, naar de salarissen. Hopchet dekte de algemene kosten onder andere met de geïnde interesten op de algemene rekening van de administratie. Verder werden ook de rekeningen waarop minder dan 100 BEF stond door Hopchet gerecupereerd. Rekeningen die door de titularis werden afgewezen, werden eveneens aangewend om de kosten van de administratie te dekken. De aangerekende beheerskosten voor het naoorlogse beheer dienden om de werking van de administratie te verzekeren. De Continentale Bank had bovendien in 1949 55% van de door Müller geïnde beheerkosten (633.217 BEF) uitgekeerd. Dit bedrag gebruikte Hopchet eveneens om de algemene kosten van zijn administratie te dekken.
Hopchet sloot zijn mandaat af met een verlies van 81.358,18 BEF. De Continentale Bank moest weliswaar nog een dividend van 5% uitkeren aan de voormalige Verwaltung, goed voor 513.649 BEF. Hopchet raadde aan dit bedrag in te schrijven als administratiekosten, en stelde voor om de postchequerekening met referentie Immeubles Israélites te behouden.

Op 24 maart 1956 keerde de Continentale Bank een dividend van 3% (308.190 BEF) uit. De Dienst van het Sekwester inde nog steeds de huurgelden voor twee eigendommen. Daarvan werd één rekening datzelfde jaar overgedragen aan de ontvanger van Domeinen en Registratie.

Op 15 november 1962 ontving de Dienst van het Sekwester de som van 256.825 BEF van de Banque de Bruxelles, het was het voorlaatste dividend van 2% van de Continentale Bank. Nog een dividend van 0,5% (51.365 BEF) werd uitbetaald op 17 september 1964. Op 30 september van datzelfde jaar keerde de Continentale Bank een laatste dividend van 0,5% uit.
 
 
 
 
3.1.5. Besluit

Verder onderzoek naar de uiteindelijke bestemming van de rekeningen van de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes, door Hopchet in opdracht van het Sekwester vereffend, dringt zich op. Welke rekeningen gingen naar i/ de Deposito -en Consignatiekas ii/ de rechtmatige eigenaars of hun nabestaanden. Verder moet worden onderzocht in welke mate voor de achtergelaten onroerende goederen mandatarissen werden aangesteld door de Rechtbank van Eerste Aanleg. Hiervoor kan het archief van de betrokken Rechtbanken uitsluitsel geven.
Voor de onroerende goederen waarvoor geen rechthebbende of erfgenamen werden gelokaliseerd startte de staat via de administratie van Registratie en Domeinen een procedure voor voorlopige of definitieve inbezitstelling. Voor Brussel vonden we 39 gevallen die voor verder onderzoek in aanmerking komen. Voor de overige provincies, uitgezonderd Antwerpen, zijn dit een tiental gevallen.
 
 
 
 
3.2. De vereffening van de Verwaltungen in Antwerpen
 
 
3.2.1 Inleiding

De vereffening van de verschillende Verwaltungen in Antwerpen verliep volgens een heel ander scenario dan die van de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien door Hopchet.
De Dienst van het Sekwester was niet rechtstreeks betrokken bij de vereffening van de Verwaltung für feindlichen und Jüdischen Haus- und Grundbesitz . Bovenvermelde Verwaltung telde vier beheerders die tijdens de bezetting verantwoordelijk waren voor het beheer van joods en "vijandelijk" vastgoed in de provincie Antwerpen: Adolf Hütteman, Adolf Voigt, Ernest Wauters en Walter Wäser De reden waarom het Sekwester niet verantwoordelijk was voor de vereffening van bovenvermelde Verwaltung en hun verantwoordelijke beheerders blijft voorlopig gissen.
Het Sekwester liet wel beslag leggen op de persoonlijke bezittingen van de betrokken Verwalters. Hütteman en Voigt, beiden Duitsers, runden elk voor het uitbreken van de oorlog een expeditiebedrijf. Beiden bedrijven werden onder sekwester geplaatst. Voorlopig vonden we enkel het sekwesterdossier van Adolf Voigt terug. Zowel zijn expeditiebedrijf, Frachtenkontor, als zijn persoonlijke eigendommen werden onder sekwester geplaatst. Tot nu toe vonden we geen informatie in verband met Adolf Hütteman of zijn vermeende beroepsactiviteiten.

Ook de persoonlijke bezittingen van Ernest Wauters (Vlaming), architect van beroep, vielen onder sekwester. Zijn dossier bracht weinig informatie aan het licht met betrekking tot zijn activiteiten tijdens de bezetting of de naoorlogse afhandeling van zijn beheer van joods en "vijandelijk" vastgoed. Hij werd in 1948 veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf en een geldboete van 328.000 BEF.

Onmiddellijk na de bevrijding gaf de Rechtbank van Eerste Aanleg, door vonnis bevestigd op 16 september 1944, aan drie advocaten de opdracht om de voormalige Duitse Verwaltung für feindlichen und Jüdischen Haus- und Grundbesitz te beheren. Wie besliste deze procudure op gang te brengen, blijft voorlopig onbekend. Waarschijnlijk zullen de archieven van de Rechtbank van Eerste Aanleg in Antwerpen meer informatie aan het licht brengen. De taak van de drie voorlopige beheerders werd door de Rechtbank als volgt omschreven:

1) "het nazicht van de boekhouding, bankrekeningen, postchequerekeningen, dossiers en archieven van bovenvermelde Verwaltung

2) het opmaken van de afrekening van gezegde Verwaltung betreffende elke eigendom dat onder Duits beheer stond

3) het innen van alle sommen aan de Verwaltung als dusdanig verschuldigd en de uitbetaling van de verschuldigde bedragen aan de betrokken eigenaars en schuldeisers van de Verwaltung

4) het beheer van alle niet onder sekwester vallende goederen die onder het beheer der Verwaltung stonden voor zolang de eigenaars van die goederen afwezig zijn of hun volmachtdragers of hun door de Rechtbank aangestelde voorlopige beheerder dat beheer niet zijn komen opeisen."

De drie voorlopige beheerders installeerden hun bureau op de Belgiëlei 33 in Antwerpen, waar ze tot 1948 bleven. Daarna stelde de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg een bureel ter beschikking op het Paleis van Justitie. Wie was verantwoordelijk voor de taakverdeling van de drie voorlopige beheerders? Besliste de Rechtbank van Eerste Aanleg over de verdeling van de dossiers van de voormalige burelen van Hütteman, Voigt en Wauters of gebeurde de taakverdeling intern? Wel staat vast één advocaat de dossiers behandelde van het voormalig beheer door Adolf Voigt, een andere het voorlopig beheer overnam van de burelen van Hütteman, en de derde de zaken van Ernest Wauters voor zijn rekening nam.

Op het eerste zicht leken hun taken niet te verschillen van de opdracht van Hopchet. Er bestond slechts één wezenlijk verschil, nergens in het vonnis werd gestipuleerd dat de voorlopige beheerders contact moesten opnemen met de eigenaars wiens eigendommen tijdens de bezetting door de Verwaltung für feindlichen und Jüdischen Haus- und Grundbesitz werden beheerd of actief naar hen op zoek moesten gaan.

Op 5 oktober 1944 brachten de drie voorlopige beheerders samen met een notaris, een bezoek aan de kantoren van Adolf Voigt gelegen op de Italiëlei 100 in Antwerpen. Er werd een inventaris opgemaakt van de aanwezige stukken met betrekking tot de Verwaltung.
Het blijft voorlopig onduidelijk in welke mate de drie advocaten beschikten over het oorspronkelijk archief van alle betrokken Verwalters.
Over de werkwijze van de voorlopige beheerders is weinig bekend.
Volgens de opvolger van een van de beheerders kwamen de rechtmatige eigenaars na de bevrijding druppelsgewijs terug. Die konden hun onroerende goederen en het product van het Duits en eventueel naoorlogs beheer, terug in bezit nemen indien de eigenaar/afgevaardigde of erfgenaam de nodige bewijsstukken kon voorleggen. Nog steeds volgens deze opvolger kreeg de rechtmatige eigenaar/erfgenaam ook het volledige, orginele dossier overhandigd. Twee beheerders zouden hun taak in 1957 grotendeels hebben beëindigd, de opvolger van de derde is nog steeds voorlopig beheerder van een onroerend goed in Antwerpen. De ontvanger van het kantoor Antwerpen der Registratie en Domeinen is een procedure gestart om de voorlopige inbezitstelling van deze eigendom te bekomen.
 
 
 
 
3.2.2. Besluit

Over de vereffening van de Verwaltungen in Antwerpen blijven veel vragen onbeantwoord. We weten onder andere niet om hoeveel rekeningen het precies ging en er bestaat weinig zekerheid over de bankinstellingen waar het product van de Duitse Verwalters werd gestort. Hoe gebeurde de naoorlogse vereffening door de drie aangestelde beheerders? En wat was de uiteindelijke bestemming van deze tegoeden en eigendommen waarvan de rechtmatige eigenaar niet teruggekeerd was?

Zijn alle erfloze of onbeheerde tegoeden terechtgekomen bij de Dienst van Registratie en Domeinen? Voor de procedure gestart door de Administratie van Registratie en Domeinen om de voorlopige of definitieve inbezitsstelling te bekomen voor erfloze en onbeheerde nalatenschappen, komen voor Antwerpen 32 dossiers in aanmerking voor verder onderzoek. De archieven van de Rechtbank van Eerste Aanleg moeten op hun beurt uitsluitsel brengen over de benoeming van beheerders voor achtergelaten joods onroerend goed.